|
SLAG
BIJ DE ETNA
22
april 1676
Bron.: www.ckplus.nl/ruyter.html
Nadat
in het begin van 1674 de Nederlandse en Britse regering vrede hadden
gesloten, bleef de oorlog tussen de Republiek en Frankrijk gaande. De
Verenigde Provinciën waren op dat moment niet de enige natie die het
met Lodewijk XIV aan de stok hadden. De Fransen steunden de
opstandelingen op Sicilië die probeerden hun onder Spaans bewind
staande eiland onafhankelijk te maken. De zwakke Spaanse vloot kon
tegen de Franse zeemacht weinig uitrichten. Aldus wendde de Spaanse
koningin-regentes Maria Anne van Oostenrijk zich tot Willem III met
het verzoek om een vloot onder bevel van luitenant-admiraal Michiel de
Ruyter te sturen. Zij beriep zich daarbij op het uit 1673 stammende
traktaat tussen Nederland en Spanje waarin beide naties elkaar
wederzijdse steun hadden beloofd.
Twee
mislukte pogingen om Lodewijk XIV een hak te zetten ten spijt
(mislukte aanval
op Martinique en
onsuccesvolle landingsoperaties op de Franse westkust in 1674),
besloot de Nederlandse stadhouder Willem III het Spaanse verzoek in te
willigen. In de zomer van 1675 werden achttien oorlogsschepen en
enkele kleinere schepen in gereedheid gebracht. De
negen-en-zestig-jarige admiraal De Ruyter had zo zijn twijfels over de
op handen zijnde expeditie. Hij achtte de hoeveelheid Nederlandse
schepen en de inzet van de Spanjaarden te gering, terwijl de Fransen
wel eens veel sterker konden zijn dan de hoge heren in Den Haag voorspelden.
Één van de Hoogmogende Heeren bestond het de beroemde admiraal, aan
wie Nederland 3 jaar daarvoor haar onafhankelijkheid dankte met
grofheid te bejegenen en te vragen of hij op zijn oude dag wellicht
bang te moede geworden was. De Ruyter antwoordde: Neen, ik ben niet
bang geworden, maar het doet mij leed, dat de Heeren Staaten hun vlag
so veil hebben.
Toen men aandrong en hem verzocht de missie toch te ondernemen,
aanvaardde hij het opperbevel over deze hulpvloot met de woorden:
"De Heeren hebben mij niet te verzoeken maar te gebieden en al
werd my bevolen ’s Lands vlag op één enkel schip te voeren, ik zou
daarmee in zee gaan. En daar de Heeren Staaten hun vlag betrouwen, zal
ik myn leven wagen.".
 |
"De
Eendracht"
Hier afgebeeld
liggend in de haven van Napels op 22 februari 1676 op het moment
dat de zojuist bevrijde Hongaarse
predikanten
aan boord kwamen. |
Aldus
vertrok in augustus 1675 de hulpvloot naar Spanje. De Ruyter voerde
aan boord van het linieschip "Eendracht" (76
stukken) het opperbevel. Zijn directe ondergeschikten waren
vice-admiraal Jan
Jansz den Haen
(1630-1676) en schout-bij-nacht Nicolaas Verschoor (1621-1676). Op 26
september ankerden de schepen in de Baai van Cadiz.
De
Ruyter kreeg gelijk voor wat betreft zijn ideeën over de Spaanse
samenwerking. In geen velden of wegen was de Spaanse vloot te
bekennen. Toen De Ruyter op 20 december aankwam bij Sicilië, bleek
dat de Spaanse schepen al weken in de Baai van Palermo lagen, in
afwachting van herstellingen en bevoorrading. Het zou nog weken duren
voor de Spaanse vloot gereed was. Slechts enkele galeien hadden zich
bij de Nederlandse hulpvloot gevoegd toen De Ruyter op begin januari
vernam dat de Franse vloot op weg was naar de Siciliaanse hoofdstad
Messina.
De
Franse vloot, bestaande uit onder meer twintig zware linieschepen,
stond onder bevel van vice-admiraal Abraham
Duquesne (1610-1688).
Hij had tot taak om de Franse aanvoerlijnen naar Messina, nu bedreigd
door de aanwezigheid van de Nederlandse vloot, te verdedigen. Van
Duquesne is bekend dat hij als waarnemer de 4-daagse
zeeslag meemaakte
a/b “De Zeven Provinciën” Hij had een enorme
bewondering voor de Ruyter en zei o.a. in zijn rapport van de slag
voor Lodewijk de XIV. “De
Hollandse vloot onder de Ruyter kan in vliegende storm en dichte mist
een maanloze nacht ingaan en er de volgende dag in perfecte kiellinie
uitkomen” Hij beschouwde de Ruyter als zijn grote
voorbeeld.
Op
7 januari 1676 troffen beide vloten elkaar, het eigenlijke gevecht
vond plaats op de volgende dag. Ook nu kreeg De Ruyter gelijk. Zijn
tegenstander bezat niet alleen meer schepen dan hijzelf, maar de
Franse linieschepen waren stuk voor stuk zwaarder bewapend dan hun
Hollandse tegenstanders, bovendien had de Ruyter's bewonderaar goed
opgelet en veel van de Ruyter's tactische manœuvres afgekeken en zijn
manschappen en schepen ook perfect geoefend..
De
Fransen hadden de loef , maar slaagden er ondanks hun numerieke
overwicht en diverse branderaanvallen niet in de Nederlanders te
verslaan. In feite eindigde de zogenaamde Zeeslag bij Stromboli
onbeslist. De Hollandse verliezen waren relatief gering: 240 doden en
gewonden (schout-bij-nacht Verschoor sneuvelde) en de dag na de slag
zonk het lekgeschoten schip "Essen" Duquesne
verloor geen schip, maar de aantallen gekwetsten werden geschat op 400
tot 1500 Franse zeelieden.
De
dag na de zeeslag voegden zich in de Baai van Palermo eindelijk negen
Spaanse schepen bij de Nederlandse vloot. Opperbevelhebber werd nu de
Spaanse vice-admiraal Prins van Montesarchio. Later zou het bevel
overgaan op vice-admiraal Don Francisco Pereire Freire de la Zerda
(?-1676). Beide Spaanse admiraals waren lager in rang dan De Ruyter.
De Nederlandse admiraal legde zich tijdelijk bij deze beslissing neer.
Op
14 maart verliet de Spaans-Nederlandse vloot de Baai van Palermo.
Nadat een aanval op de Messina (25 maart) was mislukt en op de
havenstad Augusta gaande was, bereikte de gecombineerde vloot op 20
april het bericht dat de vijandelijke vloot de haven van Messina had
verlaten. Direct voer de Spaans-Nederlandse vloot, inmiddels weer
onder het opperbevel van De Ruyter, de vijand tegemoet. Op 22 april
ontbrandde in het gezicht van de vulkaan Etna het gevecht.
 |
Een Franse gravure waarop
het moment van het eerste treffen tussen de twee in kiellinie
varende vloten wordt weergegeven. In het schema boven de
afbeelding vertegenwoordigd de onderste lijn de Franse vloot. |
De
verhoudingen lagen dit keer nog meer scheef dan tijdens de Zeeslag bij
Stromboli. De Franse vloot stond wederom onder bevel van de
vice-admiraal Duquesne. Hij commandeerde negenentwintig linieschepen,
vijf fregatten en zeventien branders en galeien. De totale aantallen
bemanningsleden en stukken geschut bedroegen aan Franse zijde ruim
10000 en 1760. Vijf van de grootste Franse schepen voerden negentig of
meer kanons.
De
Spaans-Nederlandse vloot telde negentien linieschepen, zeven
fregatten, zes snauwen (8 stukken), vijf branders, negen galeien en
enkele kleinere scheepjes. Slechts vier linieschepen voerden zeventig
of meer kanons. De schepen waren slecht bevoorraad en vooral de
Spaanse schepen beschikten over matig geoefende bemanningen. In totaal
beschikten de Spanjaarden en Nederlanders over ongeveer 1450 stukken
geschut en 6 à 7000 matrozen.
Twee van deze 1450 kanons werden door de Italiaanse regering in 1907
aan Nederland geschonken, ze waren opgedoken van de plaats van de
slag. Deze kanons staan nu naast de sokkel van het beroemde standbeeld
van de Ruyter op de boulevard te Vlissingen.
 |
Het
standbeeld van Louis Royer uit 1841, met de twee kanons die in
1907 naast het beeld werden geplaatst |
Beide
vloten waren in drie smaldelen opgedeeld. Aan Franse zijde voerde
luitenant-generaal Markies D’Almeira het bevel over de voorhoede,
commandeerde Duquesne de middentocht en vice-admiraal De Gabaret de
achterhoede. Aan Spaans-Nederlandse zijde lag het bevel over de
voorhoede in handen van De Ruyter, het middelste smaldeel werd
aangevoerd door De La Zerda en De Haen commandeerde de achterhoede.
Rond
vier uur in de middag begon de zeeslag. De Ruyter, die weinig
vertrouwen had in het Spaanse smaldeel, zette alles op alles om de
Franse linie te doorbreken om zodoende de Franse vloot in verwarring
te brengen. Hij had de loef, maar de wind was uiterst zwak. Door een
zeer hevige beschieting raakte de Franse voorhoede tijdelijk in
verwarring, hetgeen verergerd werd door het sneuvelen van D’Almeiras.
Aan Nederlandse zijde moest ook stevig geïncasseerd worden. Vijf
schepen moesten door galeien uit de linie gesleept worden. Kort na de
aanvang van het gevecht werd De Ruyter door een kanonskogel getroffen.
Zijn rechterbeen werd afgeschoten en hij stortte van de kampanje op
het daaronder liggende opperdek. Zwaar gewond werd hij naar zijn
kajuit gebracht, waarvandaan hij zijn manschappen aanmoedigde. De
kapitein van de "Eendracht" kapitein ter
zee Gerard
Callenburgh (1642-1722)
nam het bevel van de voorhoede over, en hield zich daarbij goed
staande.
De
Spaanse middentocht was echter op afstand gebleven en bevond zich nu
op ruime afstand van de Nederlandse voorhoede. Callenburgh liet zijn
smaldeel inhouden om de aansluiting niet te missen. Hierdoor kwam hij
in contact met het Franse smaldeel van Duquesne. Dit had tot u toe
weinig geleden van de zwakke Spaanse beschieting en gaf nu de
Nederlanders de volle laag. Pas aan het einde van het gevecht, rond
zeven uur ’s avonds, deden enkele Spaanse schepen een poging om zich
in het strijdgewoel te mengen. De Nederlandse achterhoede onder Den
Haen beet stevig van zich af, maar kon het gemis aan Spaanse inzet
niet compenseren.
Vreemd
genoeg liet op dat moment Duquesne zijn schepen hergroeperen en keerde
hij de gecombineerde vloot ‘de spiegels toe’. De Nederlanders en
Spanjaarden achtervolgden de Fransen nog een uur, waarna de zwaar
gewonde De Ruyter besloot de haven van Syracuse binnen te lopen.
 |
Een zwaar gehavend
Hollands schip wordt door enige
galeien uit de vuurlinie gesleept. |
Hoewel
beide vloten de overwinning uitriepen, eindigde ook deze zeeslag
onbeslist. De schade aan Franse en Nederlandse zijde was enorm en
beide partijen verloren tussen de 500 en 700 bemanningsleden. In het
voordeel van De Ruyter en zijn ondergeschikten sprak het feit dat zij
met hun zwakkere vloot de Fransen het eerst deden terugdeinzen, en in
ieder geval hadden belet hun voornemen tot uitvoering te brengen,
aldus bezien zou van een "tactische" overwinning kunnen
worden gesproken, al was het militair gezien waarschijnlijk meer een
verlies.
De
gecombineerde vloot was zo zwaar gehavend dat zij de haven van
Syracuse voorlopig niet kon verlaten. Een Frans konvooi uit Toulon kon
hierdoor ongestoord Messina bereiken. De Spaans-Nederlandse
samenwerking had een nieuw dieptepunt bereikt.
Op
29 april 1676, rond half tien ’s avonds, stierf de grootste
vlootvoogd die Nederland – en volgens hedendaagse maritieme
historici, de wereld - tot nog toe gekend heeft. Het lichaam van De
Ruyter werd gebalsemd en geplaatst in een loden kist in de kajuit van
de "Eendracht". Daar heeft het nog een
complete zeeslag moeten doorstaan (Zeeslag in de Baai van Palermo, 2
juni 1676 waarbij zijn opvolger, Jan den Haen, sneuvelde.
 |
Op dit gobelin wordt de
uitreiking van de hertogstitel aan de Ruyter afgebeeld, Het is
dus een historisch onjuiste voorstelling, omdat dit voorval
nimmer kon hebben plaats gevonden. |
De
Ruyter werd door de Spaanse koning in de adelstand verheven met de
titel van Hertog. Hij heeft die titel nimmer kunnen aanvaarden -
en zou dat gezien zijn minachting voor de Spaanse vloot waarschijnlijk
ook niet gedaan hebben - omdat hij al was overleden toen het bericht
de vloot bereikte. Willem III verbood de Ruyter's zoon Engel om de
hertogstitel te voeren omdat hij geen hertogen in de Nederlandse adel
wenste. Engel kreeg daarop later de baronnentitel van de Spaanse
Koning. De daarbij behorende uitbreiding van het familiewapen van de
Ruyter, werd echter door Engel wel gebruikt bij de afbeeldingen van
het wapen op het praalgraf in de Nieuwe Kerk te Amsterdam.
 |
 |
Zo
zag het wapen eruit, dat de Ruyter kreeg van de Deense Koning in
1660 en zoals hij het altijd voerde.
Hier in de uitvoering zoals de Koninklijke Marine het voert op
de schepen die de naam de Ruyter dragen. |
En
hier het wapen zoals Engel het voerde en op zijn vader's
praalgraf liet aanbrengen.
Hier op het originele sloepkussen van Engel de Ruyter. |
Op
30 januari 1677 werd de Ruyter's stoffelijk overschot in
Hellevoetsluis aan land gebracht. Koning Lodewijk beval tijdens
de tocht langs de Franse kust tot het brengen van een eresaluut van 21
schoten, door de Franse havens die het schip passeerde.
Op 18 maart 1677 werd De Ruyter, onder enorme publieke belangstelling,
bijgezet in een praalgraf in de Nieuwe Kerk te Amsterdam.
 |
 |
| De
begrafenisstoet op de Dam |
Het
praalgraf in de Nieuwe Kerk te Amsterdam. |
Terug
naar de vorige pagina
|