DE
VIERDAAGSE ZEESLAG
11 - 14 juni 1666.
The four days battle. (English
Version) against
George
Monck.
Drs
Dirk J. Barreveld is oud-Hoogleraar economie, oud-stuurman Grote
Vaart, officier K.M.b.d. auteur van maritiem-historische en
populair-wetenschappelijke werken.
Schema's van de vlootbewegingen zijn ontleend aan de beschrijving van
deze slag
door Jhr H.A. van Foreest e.a.
 |
de
Vierdaagse Zeeslag
Pieter Cornelsz
van Soest 1666. |
Tijdens De Ruyter’s tocht naar West-Afrika
en de West was er in 1665
opnieuw een oorlog met Engeland uitgebroken. Het eerste grote treffen
in deze oorlog, de slag bij Lowestoft op 13 juni 1665, eindigde voor
de Nederlanders in een smadelijke nederlaag. Een belangrijke oorzaak
van de nederlaag was het halfslachtige optreden van de Nederlandse
opperbevel-hebber, luitenant-admiraal, Jacon van Wassenaer van Obdam geweest. Het kon hem echter niet meer verweten worden, van Obdam was
met zijn schip de "Eendracht" tijdens de zeeslag in de lucht
gevlogen. De Staten Generaal zaten nu echter wel met een probleem: wie
moest Van Obdam opvolgen? Onder aanvoering van Johan de Witt werd
gekozen voor De Ruyter. Het was geen moeilijke keuze, immers De Ruyter
was de oudste in rang en had zich politiek gezien altijd afzijdig
opgesteld.
Op
11 augustus 1665 bevorderden de Staten-Generaal De Ruyter tot
luitenant-admiraal van Holland en West Friesland en opperbevelhebber
van de vloot. Zijn traktement bedroeg f. 300 per maand. Een
nieuwigheid was dat De Ruyter zou fungeren onder een trio
gevolmachtigden van de Staten op de vloot. Dit waren Johan de Witt
(Holland), Johan Boreel (Zeeland) en Rutger Huygens (Gelderland).
Alleen besluiten van Krijgsraden, die aan boord door zeeofficieren
gehouden zouden worden, hadden de gedeputeerden te respecteren. Zij
zouden de Krijgsraden wel steeds bijwonen en van advies voorzien.
Na de dramatische gebeurtenissen bij Lowestoft had men het er niet bij
laten zitten. De drie gecommitteerden hadden de uitrusting van de
oorlogs-vloot krachtig ter hand genomen. In samenwerking met Cornelis
Tromp op dat moment nog voorlopig opperbevelhebber,
was hard aan het
herstel van
de schade gewerkt, had men de seindienst langs de kust verbeterd en
had Tromp een nieuwe gevechtsinstructie, de Resolutie en ordre, voor
de vloot opgesteld. Deze instructie schreef voor dat de vloot in drie
eskaders verdeeld zou worden, terwijl ieder eskader in drie smaldelen
verdeeld werd. De vaste drie eskaders zouden in het gevecht één
linie vormen om de kracht van het geschut in de brede zijde
onbelemmerd te doen spreken.
Toen
De Ruyter zich op 18 augustus op de vloot meldde, was deze gereed om
zee te keizen. De nieuwe opperbevelhebber scheepte zich, met de drie
gedeputeerden in op de "Delfland", een schip met zeventig stukken
en een bemanning van 450 koppen. De vloot beschikte over 4300
stukken geschut en een bemanning van ruim 20.000 koppen.
De Ruyter verwisselde zijn vlaggenschip "Delfland
voor de "Stad en Lande". De "Delfland" bleek ongeschikt als
vlaggenschip en de "Zeven Provinciën", het toekomstige
vlaggenschip van De Ruyter, was nog niet gereed. Pas op 5 oktober stak
de vloot weer in zee, het was een machtige vloot van 91 schepen.
Wat
was er met de Engelse vloot gebeurd?
Op
weg terug naar Engeland veroverde Sandwich nabij de Doggersbank 23
Nederlandse schepen, waaronder twee rijkbeladen retourschepen en vier
escorteurs. Indachtig zijn al maanden niet betaalde bemanning, en een
mondelinge toestemming van de koning, gaf hij toestemming tot een
onmiddellijke verdeling van de buit. Dit was een politieke blunder van
de eerste orde. Hij nam zelf, met zijn officieren, een ruim aandeel in
de buit. Het gevolg was dat zijn vijanden hem afbeeldden als een
gewetenloze profiteur. Hij raakte in ongenade en verdween van de
vloot. Het jaar daar op werd hij ambassadeur in Madrid.
 |
| Het
schip "de Spieghel" op het IJ, voor 's Landts
Zeemagazijn. |
Voorjaar
1666: de Nederlandse vloot
Op
6 mei 1666 werd het commando van de vloot formeel aan De Ruyter en
diens ondergeschikte bevelhebbers opgedragen. Vervolgens werd
uitvoerig vergaderd over de indeling van de vloot. Uiteindelijk werd
ditmaal gekozen voor drie eskaders. Op 2 juni stak de vloot in zee,
zonder de schepen van het Noorderkwartier en Friesland, zij zouden
later volgen. Tromp voerde, tezamen met Meppel, het bevel over het
derde eskader; Cornelis Evertsen en de Fries Tjerck Hiddesz. de Vries
commandeerden het tweede eskader; De Ruyter en Aert van Nes voerden
het hoofdeskader aan.
Op
16 mei bracht de vijftienjarige Prins van Oranje een bezoek aan de
vloot. Hij werd een als een vorst onthaald. De jonge prins
ging eerst aan boord van de "Zeven Provinciën", waar hij met
veel eerbetoon werd ontvangen. Daarna bezocht hij de "Eendracht"
van Aert van Nes en de "Hollandia" van Tromp. Juichend
schreeuwden de overwegend Oranjegezinde matrozen: “Leve
de prins!”,
en donderende
saluutschoten overstemden
dit geschreeuw
nog bijna. De volgende dag zette de prins zijn bezoek voort en hij
werd te eten genodigd op de "Zeven Provinciën". Gratis bier
zorgde voor een uitgelaten stemming. De berichten van het succesvolle
bezoek van de potentiële admiraal-generaal zullen Johan de Witt
weinig plezier hebben gedaan.
Voorjaar
1666: de Engelse vloot
In
januari 1666 had ook Frankrijk aan Engeland de oorlog verklaard. Voor
de Republiek was dat een goede zaak, Louis XIV had beloofd de
Toulon-vloot, onder de hertog De Beaufort, naar de westkust te sturen
om de vloot van de Republiek te versterken. Eerst echter moest deze
vloot zich stationeren nabij de Portugese rivier de Taag als
bescherming voor de vloot van De Ruvigny en Duquesne die de hertogin
De Nemours, bruid van de koning van Portugal, naar Lissabon zou
brengen.
De Beaufort arriveerde op 9 juni voor de monding van de Taag.
Hij lag daar nog te wachten toen in de Noordzee de Vierdaagse Zeeslag
al in alle hevigheid was begonnen. Natuurlijk was een en ander de Engelsen
niet ontgaan. Men zon op tegenmaatregelen. Aan Engelse zijde was eind
mei een vloot van 76 schepen, 9 branders en vele adviesjachten
beschikbaar. Naast chronisch geldgebrek en de late terugkeer uit de
Straat van Gibraltar van een
eskader onder
admiraal Smith, was ziekte in de walinrichtingen (als gevolg van de
pest) de voornaamste reden geweest dat een dertigtal schepen niet
tijdig gereed was.
Op
2 juni vertrok de vloot naar de Duins, waar een vierde eskader van
twintig schepen onder bevel van Prins Rupert, werd afgesplitst. Ayscue
kreeg nu de witte vlag en de blauwe ging naar Smith. Deze laatste
bleef echter achter omdat zijn schip, de "Loyal London", nog niet
gereed was. De bedoeling van de afsplitsing van het eskader van Prins
Rupert was om te voorkomen dat de Franse vloot van De Beaufort zich
met De Ruyter zou kunnen verenigen. Men dacht dat de Franse vloot
ergens in Het Kanaal kruiste.
Over
deze splitsing van de vloot is in kringen van historici en
krijgs-kundigen heel wat te doen geweest. Wat vast staat is dat de
splitsing is gebeurd op basis van verkeerde inlichtingen, immers de
Franse vloot was op dat moment nog maar net uit de Straat van
Gibraltar en moest nog wachten nabij de Taag-monding op de komst van
de bruid van de Portugese koning. Verder schijnt aan de beslissing een
onderschatting van de Nederlandse vloot ten grondslag te hebben
gelegen. Van Albemarle is bekend dat hij geen hoge dunk van de
Nederlandse vloot had. Hij achtte 60 schepen genoeg om De Ruyter’s
90 schepen aan te kunnen. Ook speelde naar alle waarschijnlijkheid
animositeit tussen hem en zijn medebevel-hebber, Prins Rupert, een
rol. De eerzuchtige George Monck, eerste Hertog van Albemarle zou er weinig voor gevoeld hebben de eer
van de te verwachte grote overwinning op de Nederlanders te willen
delen.
Enkele
dagen later, echter, schijnt hij zich te hebben bedacht. Zijn brief
van 9 juni aan Koning Charles II is een noodkreet om meer geld, meer
personeel, meer soldaten, meer schepen en meer wapens. Charles gaf op
dezelfde dag Prins Rupert bevel terug te keren naar de hoofdmacht.
Rupert was inmiddels al gevorderd tot het eiland Wight. Pas op 12 juni
bereikten de nieuwe orders hem en kon hij op tegenkoers gaan. Pas op
de middag van de 13e juni, de derde dag van de Vierdaagse
Zeeslag dus, bereikte hij
nabij Kentish Knock de Engelse hoofdmacht.
Albemarle,
zelf aan boord van de "Royal Charles", ankerde in de nacht van de
10e buiten de Goodwin Sands en hees om 4 uur in de ochtend
opnieuw de zeilen. Twee uur later liet de "Bristol", die een eind
noordoost van de hoofdmacht zeilde,
door het
losgooien van de
bramzeilen en het afgeven van
een drietal kanonschoten weten dat ze de vijand aan lij had. De
Engelse opperbevelhebber verkeerde in een tactisch gunstige positie.
Gezien zijn positie boven de wind had hij zijn koers kunnen
voortzetten en de Nederlanders kunnen ontwijken. Hij deed dat niet,
eerzuchtig als hij was, zal hij wel gedacht hebben door een
verrassende concentratie tegen een deel van De Ruyter’s scheepsmacht
zijn minderheid in vuurkracht te kunnen compenseren. Zo voer hij met
volle zeilen, rond 10 uur in de ochtend, met ruime wind op het eskader
van Tromp af, in de hoop dit een zware slag toe te kunnen brengen
voordat de Nederlanders hulp van uit lij konden krijgen.
De
strijd begint
De
Ruyter’s vloot telde inmiddels 72 kapitale schepen, 13 fregatten, 9
branders, 8 adviesjachten en een twintig tal galjoten. In totaal
beschikte de vloot over 4200 stukken geschut en was bemand met 22.000
koppen. Het was de grootste en machtigste vloot die ooit onze zeegaten
had verlaten. Tussen de galjoten bevond zich ook de galjoot
van Willem van de Velde de Oude, onze beroemde zeeschilder.
Gedurende
de eerste dagen van juni hield de vloot zich gaande nabij Texel. Men ankerde tot
het tij keerde. De wind draaide ten gunste en met het tij mee bevond
men zich in de avond van de 9e in een positie van 30 tot 33
zeemijl van de Hoek en ’s Gravenzande in een peiling Z.O.ten Z. Van
een Zweedse schipper vernam men hier dat een Engelse vloot van 80
schepen op de 7e in de Duins lag. Met een O.Z.O. wind bereikte De
Ruyter op de 10e de
hoogte van Nieuwpoort, ongeveer 20 mijl uit de wal. Op basis van
inlichtingen van verscheidene aangehouden schepen besloot de
opperbevelhebber koers te zetten naar de Vlacke Zee tusschen het
Zuyt- ende Noort- Voorlandt (Het Nauw van Calais). De vloot hield
een koers tussen W.Z.W. en W. ten Z. aan. Aanvankelijk ging het goed
tot dat om 10 uur de wind wegviel. Het bladstille weer gaf schilder
Van de Velde de kans om een prachtig panorama te maken dat nu in het
British Museum hangt. De Ruyter maakte van de gelegenheid gebruik om
de Krijgsraad bijeen te roepen en de vlag- en hoofdofficieren nogmaals
een hart onder de riem te steken. De schepen werden gevechtsklaar
gemaakt.
 |
Krijgsraad
a/b van de
"Zeven Provinciën"
Willem v.d. Velde
de oude.
|
De
volgende ochtend was het weer totaal anders. De wind was Z.W. ongeveer
kracht 6 Beaufort, een harde wind dus.
De schepen gingen
anker op en stuurden W.N.W., vier streken hoger dus dan de dag er
voor. Met deze koers kon men het Nauw van Calais (de Hoofden) niet
bezeilen. Om 7 uur draaide het tij en was men gedwongen weer te
ankeren. Om 9 uur seinden de buitenwachten dat ze de vijand in het
zicht hadden,
men telde acht
of tien schepen. De "Hollandia", het vlaggenschip van Tromp,
peilde kort daarna de vijand in het N.W. en W.N.W. Rond 10 uur,
tijdens een zware onweersbui, verloor de "Gelderland", een nieuw
schip van 64 stukken, zijn boegspriet en fokkenmast samen met de
grootmarsera, het schip was hierdoor onbruikbaar.
Om te voorkomen dat het door de naderende vijand veroverd of
tot zinken gebracht zou worden liet De Ruyter het schip onmiddellijk
door drie galjoten wegslepen. De commandant van het schip, baron van
Ghent stapte over op "Het Wapen van
Utrecht"
De
rollen leken te zijn omgekeerd: De Ruyter, die de vijand zoekt, is in
zijn strategische manoeuvre geremd door de weersomstandigheden en moet
voor anker blijven afwachten wanneer de vijand wordt ontdekt.
 |
De
geankerde positie van de Nederlandse vloot
11 juni om 07.00 uur. |
De
eerste dag
Met
het ten anker komen tussen Duinkerken en North Foreland, om 7 uur in
de ochtend van de 11e juni, was de strategische manoeuvre
van de Nederlandse vloot geëindigd. De vloot bevond zich in de eerste
fase van de gevechtsformatie. De ontplooiing vanuit de zeilorde is
namelijk een tijdrovende manoeuvre en kennelijk had De Ruyter het
reeds op de 10e raadzaam geacht daar niet langer mee te
wachten. Ten anker liggend lag het hoofdeskader (met De Ruyter) in het
midden, het tweede eskader (van Evertsen en De Vries) aan stuurboord
hiervan en het derde eskader (Tromp en Meppel) aan bakboord.
De
vloot was gevechtsklaar. Daar kwamen tal van zaken bij kijken: de
vuren moesten gedoofd zijn om brand zoveel mogelijk te voorkomen; de
dekken geklaard, genat en met zout bestrooid tegen uitglijden; de
brandblusmiddelen verspreid, enterdreggen vastgezet, de ra’s met
kettingen gevangen, kleine zeilen aangeslagen, touwwerk en lekstoppers
uitgelegd met voldoende reserveblokken. Een verbandplaats werd
ingericht, waartoe de tafel in de kajuit met een zeildoek werd
overtrokken, tenzij kombuis en bottelarij voor dit doel waren
aangewezen. De
Chirurgijn zette zijn ijzers in het vuur en hield de
zalven bij de hand. Kardoezen werden gereed-gehouden, scherp en lonten
aan dek gebracht en opgetast bij de stukken, die konden worden
uitgevoerd nadat de proppen weggenomen en de geschutpoorten
geopend waren.
De Hollandse
vloot voer
per kanon 42 schoten mee, bij de Engelsen klaagde men over
gebrek aan munitie, men voer als regel ‘slechts’ 40 schoten mee.
Potten met lijmerige olie, bestemd om naar de vijand te werpen om
diens dekken onbruikbaar te maken, werden met handgranaten en
stinkpotten, naast schietgeweer en ammunitie, aan de scherpschutters
uitgereikt, die hun plaats vonden in de marsen; de meesten waren
zeesoldaten. Het volk werd over het schip verdeeld, met enkele der
belangrijkste posten voor konstabels en timmerlui, voorzien van het
nodige materiaal om averijen te herstellen.
Ten slotte
had De
Ruyter ook
de kok doen opschaften; aan iedereen werd een wijnrantsoen verstrekt
waarna driemaal de klok werd geluid, het gebruikelijke signaal om
ieder tot zijn taak te roepen.
Het
feit dat het eskader van Tromp en Meppel bovenwinds nogal geëxposeerd
lag zal De Ruyter waarschijnlijk niet ernstig bezwaard hebben. Hij
moet er van overtuigd zijn geweest dat Albemarle bij deze halve
zuid-wester storm geen aanval uit de loef zou wagen, omdat dan diens
onderste batterijen, waar zich het zware geschut bevond, door de
helling van de schepen niet gebruikt konden worden. Vice-admiraal De
Liefde spreekt dan ook van de dolle Engelsen, die weinych
zeemanschap vertoonden. Men kan stellen dat Albemarle kennelijk te
weinig zeeman was (hij was immers van huis uit een landmachtofficier)
om de gevolgen van zijn actie te kunnen overzien. Vast staat echter
dat zijn adviseurs aan boord juist op deze manoeuvre hebben
aangedrongen. Ook het achterblijven van het eskader met de blauwe vlag
en het dralen van een deel van de witte vlag, schijnt hem niet gedeerd
te hebben in het uitvoeren van zijn voornemens. Hij moet er vast van
overtuigd geweest zijn dat zijn beoogde concentratie op het eskader
Tromp/Meppel al deze nadelen te niet zouden doen.
De
Engelse vloot naderde uit het westnoordwesten, zij zeilde ruim-schoots
(de wind kwam dus iets van achteren in) op een zuidoostelijke koers.
Tegen de middag bevonden de Engelsen zich westzuidwest van de
Nederlandse vloot. Toen de vloot ongeveer 4 zeemijl verwijderd was
draaiden de schepen van de wind en stormden voor de wind op het
eskader van Tromp/Meppel toe. Het moet een dreigend gezicht zijn
geweest, een vloot van zo’n 70 machtige oorlogsschepen met volle
zeilen voor de wind.
 |
Aanval
van Albemarle |
Wat
De Ruyter niet voor mogelijk had gehouden gebeurde dus toch. Nu moest
er snel gehandeld worden. De Ruyter hees de blauwe vlag en vuurde twee
kanonschoten af, het sein voor het onmiddellijk onder zeil gaan. Tijd
om de ankers op te hieuwen was er niet meer, de ankerkabels werden
gekapt. De zuinige De Ruyter liet nauwkeurig in het journaal noteren
hoeveel touw en ankers er hierbij verloren gingen.
De wind
was inmiddels twee streken geruimd, van zuidwest naar
westzuidwest. Dit was van belang met het oog op de aanvalskoers waarop
de strijd werd ingezet. Zeegang en harde wind belemmerden de
manoeuvres, men trachtte een kiellinie-bij-de-wind te vormen. Met
behulp van lange riemen viel men vol over bakboord, de Engelsen
loefden op en zo raakte men slaags.
Tromp
was een veel te goede tacticus om in zijn geëxposeerde positie de op
hem gerichte Engelse aanval alleen met zijn eigen eskader op te
vangen. Tromp wende snel voor de wind om en kwam over stuurboord te
liggen, waarna hij de koerslijn van het Nederlandse centrum kruiste en
wat lager uitkwam dan in zijn bedoeling moet hebben gelegen. De Ruyter
was door deze manoeuvre gedwongen hetzelfde te doen om in het kielzog
van Tromp te komen. De eskaders van Tromp en De Ruyter
waren door
deze manoeuvres
naar lij weggezakt. Hierdoor kwamen nu ook de Friezen en Zeeuwen in
een positie om aan de strijd deel te nemen.
In
het gevecht dat zich op deze middag op evenwijdige koersen, volgens de
regels van de moderne zeetactiek, afspeelde kregen verschillende
Engelse schepen het zwaar te verduren. Vooral de "Swiftsure" (66
stukken) van vice-admiraal Berkeley ontving hevig vuur. Het schip
verloor onder meer zijn bramsteng met de witte commandovlag. Tromp
achtte de tijd rijp om de "Swiftsure" te enteren. Door de te
geringe afstand tussen Tromp’s "Hollandia" en
"De Liefde"
van kapitein Pieter Salomonsz kwamen beide schepen, tijdens Tromp’s
manoeuvre om langszij de "Swiftsure" te komen, met elkaar in
aanvaring. Berkeley greep zijn kans en vuurde de volle laag in beide
Hollandse schepen. Vóór
de twee Nederlandse schepen voer heel correct als seconde
van Tromp de "Callantsoog", die de "Swiftsure" weldra
onder vuur nam, terwijl een ander schip uit Tromp’s eskader, de
"Reiger",
uit een positie achter Tromp kwam opdagen, de Engelsman achtervolgde
en enige tijd later veroverde. Vice-admiraal Berkeley kreeg een
musketkogel door zijn keel en bloedde dood. Van de 380 opvarenden van
de "Swiftsure" werden er 348 gevangen genomen. De
"Reiger" nam
de "Swiftsure" op sleeptouw en sleepte het schip naar Goeree, de
kapitein kreeg voor deze daad een boete van duizend gulden vanwege
overtreding van de afspraak dat buitgemaakte schepen uitsluitend en
alleen naar de Wielingen bij Vlissingen mochten worden gebracht.Ondertussen
had Tromp’s "Hollandia" de fokkenmast, grote mast en de steng
van de bezaansmast verloren. Het schip was daardoor onbruikbaar voor
de strijd geworden, Tromp verplaatst zijn admiraalsvlag rond 16 uur
naar "De Jonge Prins" van kapitein Houttuyn. Dit hele gebeuren,
vroeg in de strijd, is nauwkeurig vastgelegd op een aantal tekeningen
van Willem van de
Velde
de Oude, die
thans in het Rotterdamse museum Boymans-van Beuningen
hangen.
 |
Vierdaagse
Zeeslag.
Abraham Storck
Rijksmuseum Amsterdam
|
Behalve
de "Swiftsure" werden ook de lichtere "Loyal George" van 48
stukken en de "Seven Oaks" (onze voormalige"Zevenwolden"), een
schip van 54 stukken, genomen. De Engelse "Rainbow" was zo zwaar
gehavend dat het schip alleen nog maar over bakboord kon zeilen, het
bereikte tenslotte de haven van het Vlaamse Oostende.
De
successen hadden echter ook gevolgen. Het "Hof van Zeeland" van
het tweede eskader, met als kapitein Simon Blok, en de "Duivenvoorde"
uit de groep van Jan van Nes in het centrum (kapitein jonker Otto van
Treslong), waren in brand geraakt en vlogen rond 16 uur in de lucht.
Verder was de grote mast
van de "Deventer" door een 36-ponds kogel in het hart geraakt en
het want was zwaar beschadigd. Kapitein Swarts oordeelde het geraden,
met zijn prijs een vaderlandse rede op te zoeken en dit werd eveneens
Goeree. Ook de "Beschermer" (54 stukken, kapitein van der Zaan)
besloot in verband met problemen aan de tuigage en een sterk verzwakte
bemanning naar Goeree terug te keren.
Achter
in de middag raakte het Engelse eskader van de witte vlag zo dicht bij
de banken voor de Vlaamse kust dat men besloot te wenden. Bij deze
manoeuvre liep
de Engelse
voorhoede gevaar om
door het eskader
van
Tromp in de lengte doorschoten te worden zonder dat men iets terug kon
doen. De manoeuvre gelukte wonder wel en men kwam goed op de nieuwe
koers noordwest te liggen. Tromp kon niets anders doen dan enige tijd
doorzeilen om vervolgens ook te wenden, zodat hij ruim vóór
Albemarle over liep en bovenwinds van de witte vlag uitkwam. Hij stond
nu bloot aan de volle brede zijde van de vijand, die uit lijpositie
vuurde. De situatie van het derde eskader was rijp voor een oude
manoeuvre waarbij men, dicht aaneengesloten, de vijand uit een
loefpositie naderde, dus een kruisende koers aanhield, om al vurende
door hem heen te breken. Tromp deed dat ook en kwam er goed van af.
De
Ruyter had met zijn middentocht tot dusverre een nauw vuurcontact met
het Engelse centrum onderhouden en zelf, traditiegetrouw, een
tweegevecht geleverd met Albemarle. Vroeg in de avond moest De Ruyter
afhouden om te voorkomen dat hij op Tromp’s eskader zou inzeilen.
Toen hij uiteindelijk kon wenden kwam hij hoog boven de Engelsen uit.
Toen Albemarle zag dat de Nederlanders zo ver weg waren nam hij van de
gelegenheid gebruik om te ankeren. Hij kon ook weinig anders, hij had
vrijwel al zijn zeilen verloren en door een kettingkogel zijn grote
steng met de Britse vlag overboord zien gaan. Nog meer schepen
ankerden, waar-onder schout-bij-nacht van de rode vlag Sir Robert
Holmesmet de
"Defiance".
Tegen
20 uur was De Ruyter met zijn middentocht over de nieuwe boeg zo dicht
genaderd dat Albemarle zijn ankertouwen moest kappen. Opnieuw ontstond
een hevig vuurgevecht waarin "De Jonge Prins" van Tromp zo
beschadigd werd dat de admiraal de volgende ochtend voor de tweede
maal van schip moest verwisselen. Typerend was ook het geval van de
Britse schout-bij-nacht Harman met zijn "Henry", een schip van 72
stukken. Na eerst zwaar beschadigd te zijn door Tromp kreeg het een
brander van De Ruyter aan boord, die werd met man en macht afgewend.
Daarna kwam hij onder de Zeeuwen terecht, die met een brander zijn
achterschip in vlammen zette. Tal van bemanningsleden sprongen in
paniek overboord, het vuur werd echter bedwongen en Evertsen zond
onder dekking van zijn geschut een derde brander op het schip af, die
door de "Henry" tijdig in de grond werd geschoten. Zo wist Harman,
zelf gewond, tegen het vallen van de avond te ontkomen; bij toeval
werd luitenant-admiraal Cornelis Evertsen door zijn laatste schot
gedood.
 |
Het
treffen tussen
de Ruyter en Albemarle
om ca 20.00 uur. |
Rond
22 uur gingen de vloten uit elkaar. De Engelsen zeilden hoog aan de
wind een westelijke koers. De Ruyter voer eerst om de oost, daarna om
de zuid. Tromp was ver vooruit geraakt, hij verloor met een elftal
schepen contact met de hoofdmacht en moest tot de ochtend wachten om
dit te herstellen.
De
tweede dag
Gedurende
de nacht werd er hard gewerkt aan het zo goed als mogelijk herstellen
van de opgelopen schade. Tromp vond de hoofdmacht terug en sloot zich
daarbij aan. Van Engelse kant ontstond de indruk dat de Hollanders
versterking gekregen hadden, het ging echter om het afgedwaalde
eskader van Tromp. Psychologisch had dit gebeuren echter effect op de
Engelsen.
Albemarle
beschikte deze ochtend over 49 of 51 schepen, De Ruyter had er
omstreeks 77. Voor de aanvang van de strijd hielden beide vloten
Krijgsraad. Albemarle deed dit met alleen de vlagofficieren, De Ruyter
liet ook de kapiteins participeren. Merkwaardig was dat De Ruyter geen
vervanger aanwees voor de gesneuvelde Evertsen. Hij hielp ook Tromp
aan een nieuw vlaggenschip, het werd "De Provincie Utrecht",
eigenlijk het schip van vice-admiraal de Liefde.
Tegen
6 uur, bij een matige westzuidwestelijke wind, werd de Engelse vloot
in het westnoordwesten waargenomen. Zij volgden een
oostnoord-oostelijke koers. De Engelse vloot bevond zich aan loef van
Nederlanders. De Ruyter stuurde zuid maar verlegde bij het zien van de
vijand zijn koers naar noordwestelijk. De Engelsen antwoordden hierop
door de koers naar zuid te verleggen om de wind te behouden, De Ruyter
reageerde met opnieuw zuid voor te gaan liggen. Zo bleef het
veranderen van koersen geruime tijd door gaan tot dat de
Engelsen tenslotte
vóór de
wind op de Nederlandse
vloot af kwamen. Het liep inmiddels tegen 9 uur. De Ruyter bleef
bij-de-wind zuid voorliggen in de hoop Albemarle tot een gevecht op
gelijke koersen uit te lokken. Albemarle ging daar niet op in en liet
zijn vloot op schootsafstand op tegenkoers gaan, waarna een fel
passeergevecht ontstond. Er was aan beide kanten veel schade, maar er
gingen geen schepen verloren. Vervolgens was het een uur windstil.
Toen de wind enigszins terugkwam stuurde De Ruyter, die met zijn
smaldeel zuidelijk van de Engelsen terechtgekomen was, enige tijd
noordwest om zo de loef te krijgen. Halverwege deze manoeuvre hoorde
hij echter hevig schieten in het midden van de Engelse vloot. Het
bleek dat Tromp met een aantal schepen omsingeld was en het hevig te
verduren kreeg.
 |
 |
Het
eerste kobtakt tussen Albemarle en de
Ruyter tijden de namiddag van de 2e dag. |
De
Ruyter komt Tromp ontzetten. |
De Ruyter moest zijn manoeuvre afbreken om Tromp te
ontzetten. Dit lukte, Tromp, licht gewond geraakt aan zijn been, moest
voor de derde keer overstappen op een ander schip omdat "De
Provincie Utrecht" te beschadigd was om verder als vlaggenschip te
kunnen dienen. Het ging ditmaal aan boord van de "Gouda" van
schout-bij-nacht Sweers, waarmee hij Sweers voor aap zette en hem alle
schijn van een commando ontnam. Tactheid was nu eenmaal niet het
sterke
punt
van Tromp.
Het
was tijdens dit gevecht dat Albemarle bericht kreeg dat Prins Rupert met zijn eskader op weg was om hulp te verlenen. Tussen de gevechten
door ging Tromp nog even bij De Ruyter aan boord langs om hem te
bedanken voor zijn hulp. Door de matrozen aan boord van de "Zeven
Provinciën" werd hij met gejuich begroet. De Nederlandse vloot was
door dit alles in verwarring geraakt,
terwijl de
Engelsen nog
steeds over een goed georganiseerd
geheel beschikten. Zij slaagden er echter niet in hun voordelige
positie uit te buiten. Met name vice-admiraal Ayscue, die een poging
deed om De Ruyter en Tromp van de rest van de vloot af te snijden,
faalde in zijn opzet. Uiteindelijk kon tegen de middag de orde zo goed
mogelijk hersteld worden.
 |
| Een
serie passeergevechten in de middag van de tweede dag. |
De
schade als gevolg van dit gevecht was niet mis."De Provincie
Utrecht" en de "Vrijheid" moesten naar Texel gesleept worden
en de "Pacificatie" naar Vlissingen. De "Calantsoog" en de
"Spiegel" werden ook naar Texel gesleept, de laatste door het
kapitale schip "Vrede" een Amsterdammer uit het smaldeel van De
Ruyter. "De Liefde" was in de lucht gevlogen, slechts 39 man
overleefde dit drama. Vice-admiraal Abraham van der Hulst was
gesneuveld.
Na
de middag kwamen de vloten opnieuw met elkaar in gevecht. Twee
passeergevechten vonden plaats. Omstreeks drie uur in de middag werd
de grote steng van de "Zeven Provinciën" afgeschoten. Het
schip werd hierdoor onbruikbaar voor het gevecht. De Ruyter ging op
enige afstand van het strijdgewoel voor anker om de schade te
repareren. Of hij nu wel of niet het bevel tijdelijk aan Van Nes heeft
overgegeven is een open vraag. Volgens zijn journaal deed hij dat
niet, hij vermeldt alleen dat zijn steng er af is. Volgens het officiële
verhaal zou hij echter zijn bevelswimpel naar Van Nes hebben gestuurd.
Hij had kunnen overstappen op een ander schip, zoals Tromp inmiddels
al drie keer had gedaan, De Ruyter deed dit niet. Waarom is een open
vraag, enerzijds was de? "Zeven Provinciën" het zwaarste en beste
schip van de Nederlandse vloot, als de opperbevelhebber overgestapt
zou zijn had dit psychologische gevolgen kunnen hebben, anderzijds was
er de oproep van de Staten Generaal aan vlagofficieren om zich niet
nodeloos in gevaar te begeven. Overstappen te midden van het
strijdgewoel was geen ongevaarlijke exercitie. Aan de andere kant was
het natuurlijk ook een gebaar van opperste zekerheid dat alles naar
wens verliep met de zeeslag.
Aan
het einde van de middag trok Albemarle zich met zijn vloot terug. De
Nederlandse vloot ging in de achtervolging, die de gehele nacht zou
duren. Men kwam wel dichtbij maar net niet dicht genoeg om de vijand
de nekslag toe te kunnen brengen.
De
Engelsen verloren deze dag de "St. Paul", de vroegere
"St.
Paulus", in 1665 genomen. Men verloor ook de "Black Spread Eagle",
onze vroegere "Groningen", dit schip was in 1665 tijdens een
storm in Engelse handen gevallen. Het schip zonk tijdens de zeeslag.
Wij betreurden het verlies van schout-bij-nacht Stachouwer, wiens
schip "Wapen van Enkhuizen" op de 12e met schade
Vlissingen binnenliep.
Deze
tweede dag van de zeeslag zal De Ruyter niet geheel tot tevreden-heid
hebben gestemd. Was het voorval met Tromp niet gebeurd dan zou de
Engelse vloot zonder meer het onderspit hebben gedolven.
Het mocht niet zo
zijn. Ook over de aanvalsdrift van een aantal van zijn kapiteins was
hij niet erg te spreken. Albemarle zal zich vast en zeker een stuk
beter hebben gevoeld. Hij was er in geslaagd de Nederlanders die nacht
van zich af te houden en wist dat de volgende dag Prins Rupert met
zijn eskader te hulp zou schieten, dit betekende een aanzienlijke
versterking van zijn vloot. Hij zal de volgende dag dan ook met
optimisme tegemoet hebben gezien.
De
derde dag
De
volgende ochtend, pinksterzondag 13 juni 1666, was het mooi weer. Er
stond een flauwe koelte uit het zuidoosten.
Albemarle hield
Krijgsraad en
herzag zijn formatie, met name zijn zwakkere schepen kregen een betere
dekking van de nieuwe zware schepen. Ook Van Nes hield Krijgsraad, met
de vlagofficieren en kapiteins zoals ook De Ruyter altijd deed.
Besloten werd de eskaders in een dusdanige orde te brengen dat een
frontlinie kon worden gevormd met Van Nes in het midden, Tromp op de
rechter- en Banckert op de linkervleugel. Het streven werd nu de
Engelsen te breken, waartoe alles werd bijgezet wat trekken kon: bram-,
lij-, en waterzeilen; de doeken werden genat, evenals trouwens bij de
vijand, die echter steeds net buiten bereik bleef.
 |
 |
de
Ruyter achtervolgt Albemarle
en Prins Rupert komt in zicht |
De
vlootbewegingen gedurende de nacht. |
Rond
16 uur kreeg Albemarle het eskader van Prins Rupert in het zicht. Uit
het journaal van Sir Thomas Allin, admiraal van Rupert’s eskader,
blijkt dat men uit het zuiden naderde en N.O.t.N. stuurde, even buiten
de banken van Kentish Knock. Albemarle wilden beide vloot-eenheden zo
spoedig mogelijk verenigen en veranderde koers, door een vergissing
van zijn loodsen raakten echter drie van zijn zware schepen vast op de
staart van de Galloperbank. De vlaggenschepen "Royal Charles" en
"Royal
Katherine" van respectievelijk Albemarle en sir Thomas Teddeman,
vice admiraal van de blauwe vlag, zagen kans weer los te komen, maar
de geweldige "Royal Prince", een schip van 92 stukken van sir
George Ayscue, waaronder 16 42-ponders, stak het diepste van de drie
en bleef onbeweeglijk vastzitten. Het was vallend water en Ayscue had
geen schijn van kans. Toen Tromp hem met twee branders bedreigde gaf
hij zich zonder slag of stoot over. Een deel van zijn persoonlijk
servies is nog te bewonderen in het Scheepvaart Museum van Amsterdam.
De Ruyter, uit vrees dat de Engelsen het schip misschien zouden
terugnemen, liet het prachtige schip in brand steken. Ayscue werd
gevangen genomen en later afgevoerd naar Den Haag. Hij was de hoogste
Engelse zeeofficier die ooit gevangen werd genomen.
De
vereniging van de vloot van Albemarle en het eskader van Prins Rupert
kon niet verhinderd worden. Zodra mogelijk begaf Albemarle zich bij
Rupert aan boord om Krijgsraad te houden met de beschikbare
vlagofficieren. Dat zijn vloot niet vernietigd was vóór deze
vereniging, werd aan Engelse kant een gemiste kans van De Ruyter
geoordeeld.
Na
de hereniging beschikte Albemarle over 65 schepen. Van dit aantal
waren er nogal wat beschadigd, terwijl ook hier en daar bemanningen
gedecimeerd waren en er gebrek aan van alles was. Daar stond echter
tegenover dat het eskader van Prins Rupert geheel uitgerust en zonder
problemen de strijd tegemoet kon zien. Dit eskader, aangevuld met
enkele schepen die van de Theems afkomstig waren, was inmiddels
aangegroeid tot zo’n 28 schepen. Kortom, het zag er zeker niet
slecht uit.
De
vierde dag
Pinkstermaandag
14 juni 1666 was een koude ochtend met een wind die, ten opzichte van
de vorige dag, tot westzuidwest geruimd was en die nu en dan tot hard
aanwakkerde. De Nederlandse vloot bevond zich te halver zee tussen de
monding van de Theems en Goedereede, ongeveer 32 zeemijl van North
Foreland. De Ruyter’s eerste opzet was gelukt: geen droogten
konden zijn bewegingen belemmeren en met de heersende wind kon
de vijand door zijn punt van vertrek niet anders dan aan lij opdagen.
Weldra zag men nog twaalf Nederlandse schepen, die achtergebleven
waren, zich bij de vloot voegen.
Op
de Krijgsraad, die ochtend, zette De Ruyter zijn aanvalsplan uiteen.
Hij wenste, ongeacht de verliezen, op drie plaatsen tegelijk een gat
in de vijandelijke linie te slaan. Daartoe zou de in drie eskaders
verdeelde vloot in een frontale formatie aanvallen. De Zeeuwen en de
Friezen, onder Banckert, behielden de linkervleugel;
luitenant-admiraal Van Nes en vice-admiraal De Liefde met hun schepen
tezamen de rechtervleugel; De Ruyter nam het centrum met het gehele
eskader van Tromp achter zich. De linkervleugel omvatte zo 23 kapitale
schepen en 4 fregatten; de spits van De Ruyter 5 kapitale schepen en 2
fregatten met daarachter 14 of 16 kapitale schepen en 3 fregatten; de
rechtervleugel 13 kapitale schepen en 4 fregatten. De Nederlandse
vloot was dus op papier nog 57 of 59 kapitale schepen en 13 fregatten
sterk, in totaal dus zo’n 70 zeilen.
De
redenen voor deze opmerkelijke gevechtsorde waren tweeledig. In de
eerste plaats was er de wil van De Ruyter om met de "Zeven Provinciën"
in een alom zichtbare positie de aanval te leiden. In de tweede
plaats ging men er van uit dat Prins Rupert de vijandelijke voortocht
zou leiden en wel met een weinig indrukwekkend eskader. Naar
verwachting zou de Prins maar over drie of vier grote schepen kunnen
beschikken, de rest waren kleinere fregatten. Alles hing af van de
gelijkheid van de uit te voeren scheeps-bewegingen en daarom koos De
Ruyter voor zich en zijn seconden een alom zichtbare afzonderlijke
positie en daarom ook was in elke vleugel een kapitaal schip
aangewezen om een dergelijke positie in te nemen, zodat de bewegingen
van de opperbevelhebber terstond konden worden gevolgd.
Na
afloop van de gewone Krijgsraad heeft De Ruyter alle kapiteins
toegesproken die nu, in plaats van een
vaderlijk vlootvoogd,
een keiharde admiraal
tegenover zich vonden. Hij vertelde ze dat hij hen terdege had
waargenomen en dat sommigen de strop hadden verdiend voor hun gedrag.
Hij gaf ze nog één kans, als ze nu deden wat van hen verlangd werd
zou alles vergeven en vergeten zijn. Achter die woorden stond de verse
herinnering
aan de harde vonnissen die een jaar geleden, na de slag bij
Lowestoft,
op de rede van Texel in ’s Lands vloot waren gevallen. Cornelis
Tromp hees, naar blijkt uit een tekening van Willem van de Velde, zijn
vlag opnieuw aan boord van
de "Gouda".
 |
| dde
Ruyter's aanval op de vierde dag 's ochtends |
Bij
zonsopkomst bevonden beide vloten zich buiten elkaars gezichts-veld.
Rond 5 of 6 uur nam men elkaar waar op een afstand van ongeveer 16
zeemijl. De Engelsen waren, op een oostelijke koers en met klein zeil,
inderdaad aan lij. Het was omstreeks halfnegen toen de partijen bijna
dwars van elkaar waren, juist buiten schootsafstand zoals De Ruyter
dit verkozen
had.
Hij wachtte nog totdat hij de grootste openingen in de Engelse linie
zag naderen, waarna hij van de wind afliep (dus stuurboord uitging) om
zijn middentocht samen met de twee vleugels op drie plaatsen door de
vijand te doen breken. De rechtervleugel was het snelst en brak tussen
Mings en Rupert door de Engelse voorhoede heen, aanvankelijk koers en
snelheid behoudend om buiten geschutsbereik van de Engelsen te komen.
Na deze manoeuvre wende de groep van Van Nes over het achterste schip
om, over stuurboord bij de wind, in westelijke richting, de enige
koers die haar weer bij de Engelsen kon brengen, loefwaarts te zeilen.
De divisie van Mings geraakte zodoende te midden van de vijand en na
korte tijd lagen de vice admiralen Mings met zijn oude Victory
van 76 stukken en De Liefde met zijn nieuwe "Ridderschap" van 66
stukken zij aan zij in een afschuwelijk vuurgevecht gewikkeld.
Mings
moest, na tweemaal te zijn gewond, de strijd opgeven. De "Ridderschap"
werd zwaar beschadigd, het schip verloor zijn grote ra, en moest de
strijd staken. De "Landman", van het eskader van Tromp, raakte in
brand en vloog in de lucht. Een aantal andere Nederlandse schepen
raakten ook in brand, men slaagde er in deze branden te blussen en de
schepen bleven behouden.
 |
De "Royal Jamers" van Prins Rupert wordt op de
14e juni uit de strijd gesleept
Willem van de Velde de Jonge, Scheepvaart Museum, Amsterdam. |
De
gehele eerste actie zal misschien en uur of drie geduurd hebben.
Hierna trad een pauze in. De prachtige Engelse linie was geheel
verdwenen, een franje van beschadigde schepen markeerde de horizon. De
gevechten zetten zich voort, zoals De Ruyter het gewild had, in kleine
groepjes, waarbij de Nederlanders steeds weer probeerden een Engelse
groep met overmacht aan te vallen. Tal van schepen, zoals de "Dom
van Utrecht" en de "Eendracht" van Van Nes konden op het
nippertje gered worden van de vijand. In het geval van de "Eendracht"
was het De Ruyter zelf die met zijn "Zeven Provinciën" Van
Nes te hulp schoot.
In
de middag probeerden de Engelsen de orde enigszins te herstellen. De
Ruyter had echter nog één troef uit te spelen. Hij gaf bevel tot het
overgaan op de ‘oude vechtmethode’: de vrije aanval van alle
schepen met entering als doel. Omdat de meeste Nederlandse schepen
zich aan loef bevonden was dit een zeer toepasselijke aanvalsmethode.
Tromp kon hieraan niet meer deelnemen hij was, tezamen met Sweers, aan
boord van de zwaar beschadigde "Gouden Leeuw" inmiddels Goeree
binnengelopen. Schout-bij-nacht Bruynsvelt veroverde twee vijanden,
die aan elkaar vast geraakt waren: de "Black Bull" (onze oude
"Wapen
van Edam") en de "Essex". Korte tijd later verloor hij beide
schepen weer, ze werden echter door Kapitein Pauw
van de "Stavoren"
opnieuw
heroverd, onderweg
naar Texel
zonk
de Bull echter. Vice-admiraal Coenders nam de "Clovetree"
(onze vroegere "Nagelboom" van de V.O.C.). Kapitein Ruth
Maximiliaan nam met zijn goedbezeilde "Wassenaar" de
"Convertine"
in bezit.
Tegen 18.00
uur was het
bekeken, het
ontwijken van Nederlandse
enteraars
ontaardde steeds meer in een algemene vlucht van de vijand. Bijna
verloren de Engelsen ook nog het kapitale schip de "Royal James",
van 82 stukken, het vlaggenschip van Prins Rupert. Vrijwel de gehele
tuigage van het schip was naar beneden gekomen waardoor het stuurloos
en in feite reddeloos was. Ternauwernood slaagden de Engelsen er in
het schip weg te slepen. Een roemloze, algehele aftocht naar de
Engelse kust volgde.
 |
| Na afloop zorgden de Engelsen er voor dat dit
beschamende gebeuren in geen enkel officieel verslag van het gebeuren
te vinden was. |
De
Nederlandse vloot zette de achtervolging in en slaagde er in nog
enkele schepen te nemen. Vroeg in de avond stak er een dichte mist op
en De Ruyter besloot terug te keren naar het vaderland. Nog diezelfde
avond arriveerde hij op de rede van Vlissingen, zijn schip was
versierd met vlaggen en wimpels ten teken van de overwinning.
De
Vierdaagse zeeslag: een terugblik
De
Vierdaagse Zeeslag was de langste zeeslag ooit in de geschiedenis van
de mensheid. Vier dagen lang vochten op een klein stukje Noordzee
bijna 200 schepen, bewapend met zo’n 9.000 kanonnen en een totale
bemanning van ongeveer 45.000 om de suprematie ter zee. Onze vloot
verloor vier schepen: "Duivenvoorde" (ontploft),
"Hof van
Zeeland" (ontploft), "Landman" (verbrand) en
"De Liefde"
(ontploft). Ruim 2000 Nederlandse zeelieden sneuvelden, waaronder drie
vlagofficieren (vice-admiraal van der Hulst, luitenant-admiraal
Cornelis Evertsen de Oude, schout-bij-nacht Stachouwer) en vijf
kapiteins. De Engelsen verloren verloren twaalf schepen: "Bull"
(gezonken), "Black Spread Eagle" (gezonken),
"Clovetree"
(veroverd door de "Groningen"), Convertine (veroverd door
de "Wassenaar"), "Essex" (veroverd door de
"Stavoren"), "Little Unicorn" (verbrand),
"Loyal George" (veroverd door
de "Deventer"), "Royal Prince" (verbrand),
"Seven Oaks"
(veroverd door de "Beschermer"), "Spread Eagle" (verbrand),
"St.
Paul" (verbrand) en de "Swiftsure" (veroverd door de
"Reiger").
Ruim 4.250 Engelse zeelieden vonden de dood, waaronder twee
vlagofficieren (Berkeley en Christopher Mings) en tien kapiteins. Eén
Engelse admiraal (Ayscue) werd gevangen genomen.
 |
| Het
hele verloop van de slag gedurende vier dagen. |
Het
was een daverende Nederlandse overwinning, daar was geen twijfel over.
De Nederlanders waren er van overtuigd dat de Engelse vloot was
vernietigd, dat was echter niet waar, de vloot was verslagen, maar
zeker niet
vernietigd.
Alhoewel de Nederlanders voor het eerst in linie vochten was dit geen
onverdeeld succes, het ontbrak vaak aan discipline om de nieuwe
gevechtstactiek goed te kunnen uitbuiten. De overwinning werd pas op
de vierde dag behaald nadat De Ruyter het sein voor ‘ouderwets’
aanvallen had gegeven.
De Nederlanders waren gewoon beter in het
gevecht op de vierkante meter.
Terug
naar de vorige pagina
|