DE
REIS VAN DE RUYTER NAAR WEST AFRIKA EN DE WEST
1664-1665
Drs
Dirk J. Barreveld is oud-Hoogleraar economie, oud-stuurman Grote
Vaart, officier K.M.b.d.
auteur van maritiem-historische en populair-wetenschappelijke werken.
De
opbouw van een nieuwe oorlogsvloot
De
Eerste Engelse Oorlog (1652-54) was een harde klap voor Johan
de Witt en de Staten Generaal geweest. Gebrek aan centrale leiding en
niet anticiperen op ontwikkelingen in het internationale vlak hadden
voor een schijnrust gezorgd waarin men de vloot volledig verwaarloosd
had. Twee vlootbouw-programma’s, elk bestaande uit een serie van
dertig schepen, kwamen respectievelijk in de tweede helft van 1653 en
medio 1654 gereed. De nieuwe schepen waren veel groter dan de oude en
met veertig tot zestig stukken ook veel beter bewapend. Hoewel het
inmiddels vrede was bleven ditmaal de schepen in de vaart, men zou
niet een tweede keer verrast worden. De nieuwe opzet maakte het
inhuren van koopvaarders overbodig, onze vloot was nu een echte marine
vloot. In de beginjaren zestig, toen opnieuw oorlog met Engeland
dreigde, werd een nieuw vlootbouw-programma gelanceerd. In totaal
werden in deze periode achtenveertig grote en zwaar bewapende
oorlogsschepen gebouwd, met als pronkstuk de Zeven
Provinciën,
een schip met 80 stukken geschut, een waterverplaatsing van 1600 ton
en een bemanning van 420 koppen. Vanaf 1666 fungeerde het schip als
het vlaggenschip van De Ruyter. De vlootbouw in de Republiek in de
jaren vijftig en zestig was onder leiding van De Witt omvangrijker dan
waar ook in West–Europa. De Republiek was op weg om de
leidende zeemacht
in de
wereld te
worden. Van
centraal belang
in deze ontwikkeling was het feit dat De Witt ook ‘s lands
financiën op orde had gebracht, in
tegenstelling tot
het verleden,
was er genoeg geld in kas voor grote uitrustingen in
oorlogstijd.
 |
Werf
van de Admiraliteit van Zeeland te Vlissingen |
 |
’s
Lands Zeemagazijn |
Zo
kwamen dankzij hen een nieuw dok en een lijnbaan gereed en werd ’s Lands
Zeemagazijn (het huidige Scheepvaartmuseum) gesticht. Waar
het De Witt echter aan ontbrak was een geschikte opperbevelhebber van
de vloot. Men had iemand nodig die krachtig leiding kon geven aan het
hervormings-proces. Gebrek aan centrale leiding en onderlinge
rivaliteit had er toe geleid dat iedere admiraliteit zijn eigen
vlagofficieren benoemde, het totaal aantal was in het begin van de
zestiger jaren daardoor op vijftien gekomen. Elke admiraliteit
beschikte nu over zijn eigen luitenant-admiraal, vice-admiraal en
schout-bij-nacht. Van
Wassenaer van Obdam was
totaal ongeschikt om aan deze grote groep de juiste leiding te geven.
Op
nieuw naar Barbarije
In
1663, nog voor het bestaande bestand afgelopen was, waren de
Algerijnen opnieuw aan het kapen geslagen. Cornelis Tromp, die met
enkele schepen was achtergebleven, trachtte de Algerijnen in toom te
houden, maar slaagde daar niet afdoende in. In februari 1664 besloten
de Staten Generaal om De Ruyter nogmaals naar Barbarije te sturen.
Op
8 mei zeilde de admiraal met zijn vloot het zeegat tussen Texel en
Terschelling uit, op weg naar zijn eerste aanloophaven Cádiz. De
vloot bestond uit twaalf schepen, aangevoerd door de Spiegel,
een in 1663 gebouwd schip met 68 stukken geschut en een bemanning van
315 koppen. Plaatsvervangend commandant was de West-Friese
vice-admiraal Jan Corneliszoon Meppel, hij voer op de ’t
Noorderquartier, een in 1664 gebouwd schip met 50 stukken en een
bemanning van 258 koppen. Opvallend was verder dat het korps
marineofficieren tal van bekende figuren telde, zoals Gideon de Wildt,
Willem van der Zaen, Isaac
Sweers,
Enno Doedesz. Star, Aert
van Nes,
en Jan
van Nes.
Ook De Ruyter’s zoon Engel maakte de reis mee. Behalve de twaalf
oorlogsschepen was er nog een ‘behoeften fluyt’, een
vrachtschip met reserve onderdelen, munitie en victualiën en voeren
er drie koopvaarders mee die van de bescherming van de vloot wilden
profiteren.
Nabij
Kaap Bevezier (Beachy Head) ontmoette De Ruyter een Engels
oorlogsschip waarmee het protocollaire saluut werd gewisseld: tien
schoten na tien, en vijf na vijf tot dank; daarna bij het afscheid
zeven schoten na zeven, met drie na drie tot dank. De Ruyter liet zich
met de sloep naar het Engelse schip brengen om de commandant, het
bleek commandeur Allin te zijn, met een bezoek te vereren. Alles
verliep op rolletjes, de verhouding was nog uitermate correct. Op
zaterdag 24 mei 1664 kwam De Ruyter met zijn vloot ten anker in de
baai van Cádiz.
Op
1 juni vertrok men met bestemming Malaga, men arriveerde daar op de 4e
juni. De Ruyter werd hier ernstig ziek, meer dan drie weken lang moest
hij het bed houden. De vloot bleef slechts kort in Malaga en voer, via
Cartagena, door naar Algiers waar men op 19 juni arriveerde. Nabij
Cartagena vond overigens opnieuw een incident plaats waar uit bleek
hoe gespannen de relatie met de Engelsen inmiddels geworden was. De
Ruyter ontmoette hier een Engelse eskader onder bevel van vice-admiral
Sir John Lawson. De Ruyter streek zijn vlag en gaf de voorgeschreven
eresaluut-schoten. Lawson weigerde echter zijn vlag te strijken, dat
was hem door zijn regering verboden zei hij. De Ruyter nam zich voor
niet meer als eerste zijn vlag voor Engelsen te strijken.
De
onderhandelingen met de Algerijnen verliepen moeizaam. Men werd het
uiteindelijk eens over de vrijlating van een aantal slaven. De Ruyter
liet een nieuwe Nederlandse gezant, De Mortaigne, in de haven achter.
Op 5 juli lichtte de vloot de ankers en zette men koers naar Alicante.
De Ruyter vond hier ‘een geheele Neusdoeck vol Brieven’ De
Amsterdamse admiraliteit waarschuwde De Ruyter om vooral voorzichtig
met de Engelsen te zijn om niet verrast of overvallen te worden. Er
was nog geen oorlog, maar dat was een kwestie van tijd.
De
komende weken bleef De Ruyter patrouilleren in het gebied tussen Cádiz
en Alicante, daarbij nauwlettend de bewegingen van Lawson volgend.
Ieder ontmoeting met de Engelsen verliep nu volgens het boekje. Op 1
september kwam de vloot voor de zoveelste maal in Malaga aan. De
Ruyter ontving hier een aantal brieven, zowel van de Staten-Generaal
als van de Amsterdamse admiraliteit. Iedereen was nieuwsgierig wat er
in de brieven stond, temeer daar de Engelsen al lang rondstrooiden dat
er een oorlog met de Republiek op komst was. De Ruyter hield zich op
de vlakte en stuurde alleen een ontvangstbevestiging naar de
Nederlanden.
Geheime
orders
De
brieven die De Ruyter ontving waren geheime resoluties van de
Staten-Generaal en de daaruit voortvloeiende instructies van de
admiraliteit van Amsterdam. De noodzaak van geheimhouding werd nog
eens bevestigd door een persoonlijke brief van secretaris De Wildt,
die er bovendien ook op aandrong niets aan de Spaanse gezagsdragers te
vertellen. De Ruyter mocht aan zijn eigen bemanning pas bekendmaken
wat het doel van de verandering van de reis was …voor en aleer U.
L. buiten ’t naau van Gibraltar in de ruime zee gekoomen zult wezen…
Men wilde ook geen antwoord van De Ruyter, uitsluitend en alleen een
ontvangstbevestiging, zonder toespeling
op de
geheime resoluties,
om op die manier uitlekken van de plannen te voorkomen.
Men
had, volgens de Staten-Generaal, in Nederland bericht ontvangen dat
een Engelse vloot onder Holmes, in volle vredestijd, op de kust van
West Afrika schepen van de West-Indische Compagnie had genomen. Ook
had men enige Nederlandse factorijen, waaronder Goeree, bezet met de
kennelijke bedoeling om zich van geheel Guinea meester te maken. De
Staten-Generaal waren woedend over deze gang van zaken. Men begreep
heel goed dat de Engelsen met opzet de WIC aanviel, een privé
onderneming, met andere woorden een dergelijke aanval was niet zonder
meer een daad van agressie tegen een staat, en dus geen pretext voor
een oorlog. Men vond echter dat men de WIC, die den Staat in
verscheide gelegentheden groote diensten had gedaan, te hulp moest
komen. Aanvankelijk was het de bedoeling om een speciale vloot
uitrusten en die naar West-Afrika sturen. Dit zou echter veel tijd
kosten en daarom had men besloten om De Ruyter met zijn vloot uit de
Middellandse Zee naar Kaap Verde en de kust van Guinea te sturen.
Op
weg naar West Afrika
Conform
zijn geheime instructies zeilde De Ruyter eerst naar Alicante om de
‘behoeftenfluit’ De Groene Kameel op te halen. Vervolgens
besteedde hij veel aandacht aan het bevoorraden van de vloot. Met de
diverse kapiteins werd afgesproken om elkaar in Cádiz te ontmoeten
voor de aanvang van het volgende deel van de reis. Onderweg vernam De
Ruyter dat op verscheidene plaatsen in Noordwest Europa, met name in
Engeland, maar ook op diverse plaatsen in Nederland de pest
uitgebroken was.
Men
ontmoette nog enkele malen het eskader van Lawson, dat zich in
hetzelfde gebied als De Ruyter bleef ophouden. De gebruikelijke
beleefdheden werden uitgewisseld,
het was echter duidelijk dat er spanning onder de oppervlakte
heerste. Uiteindelijk werden op 5 oktober 1664, om vijf uur ’s
ochtends, de ankers opgehaald en gingen de dertien schepen onder zeil.
Buitengaats lag Lawson met zijn eskader voor anker. De gebruikelijke
plichtplegingen werden verricht: elk negen saluutschoten, en Nederland
streek de vlag. De Ruyter zond zijn kapitein Du Bois naar Lawson om
deze te begroeten, en Lawson stuurde captain Clark, volgens De Ruyter ’synde
een braef Capteyn’ met zijn complimenten naar de Spiegel.
Daarna voer het Nederlandse vlaggenschip dicht langs het Engelse, bij
welke gelegenheid de beide vlootvoogden ‘malcanderen preyden
(praaiden) met groote beleeftheydt en brachten malcanderen een
dronck tot Bon Voyagie’. Op het Britse eskader bevond zich toen
reeds Sir Thomas Allin, die enige dagen later het bevel zou overnemen
van Sir John Lawson, die naar Engeland zou terugkeren voor een
commando op de Britse hoofdvloot. Allin was door de Engelse regering
vooral gevraagd om een oog op de bewegingen van De Ruyter te houden.
Korte tijd later kreeg Allin uit Engeland instructies om de
Nederlandse rijkbeladen Smyrna-vloot te nemen; hij deed dit in
december 1664.
 |
Sir
Thomas Allin. |
Zodra
de schepen buiten de baai van Cádiz waren liet De Ruyter de Witte
Vlag waaien, het teken voor het bijeenroepen van de Krijgsraad.
Tijdens de vergadering kregen de hoofdofficieren en kapiteins
schriftelijk orders voor de verdere reis. De geheime orders werden
echter nog niet uitgereikt. Om de Engelsen te misleiden bleef men tot
aan de avond West sturen, daarna veranderde men koers naar Zuidwest.
Pas op de avond van de tweede dag op zee vond De Ruyter dat ze
kennelijk ver genoeg weg waren. Hij riep opnieuw de Krijgsraad bijeen
en nu werden de geheime orders aan de hoofdofficieren bekend gemaakt.
Via
de Canarische Eilanden, tijdens het passeren haalde men de vlaggen in
om herkenning te voorkomen, bereikte men vroeg in de ochtend van de 21e
oktober Kaap Verde, het meest westelijke puntje van het Afrikaanse
continent.
 |
De
volgende dag (22 oktober) zag men dicht onder het fort van Goeree acht
Engelse koopvaarders voor anker liggen. De schepen waren vergezeld van
een oorlogsschip. Op het fort woei de vlag van de ‘Royal Company’.
De Engelsen hielden zich onnozel, er was immers geen oorlog tussen
beide landen, merkte gouverneur Sir George Abercromby laconiek op. De
Ruyter merkte droogjes op dat wij wél vrede met Engeland hadden, maar
niet met de Royal Company, zeker niet na alle onregelmatigheden die in
dit gebied hadden plaatsgevonden. De koopvaarders moesten alle lading
aan de Hollanders overgeven en konden een verzoek voor compensatie
indienen bij de WIC. Tevergeefs trachtten de Engelsen tijd te winnen,
ze vroegen tien dagen bedenktijd, De Ruyter gaf ze één etmaal. Sir
George (‘synt joris’ schrijft De Ruyter in zijn journaal) nam het
aanbod aan en gaf het fort over
aan de Nederlanders.
 |
| "Royal
Commission" (Kapiteinsbrief) van Isaac Taylor,
één van de kapiteins van de door de Ruyter buitgemaakte
schepen, die later in Engeland voor het verlies van zijn schip
en lading enige jaren in de Tower moest doorbrengen. |
De
Engelsen vertrokken ‘met slaande trom en vliegend vaandel’, ze
mochten hun persoonlijke bezittingen behouden. Gouverneur Abercromby
werd door de Hopewell weggebracht naar Gambia.
Velen verbaasden zich overigens over de gemakkelijke manier waarop het
fort zich overgegeven had. Het fort was behoorlijk zwaar bewapend ( 9
stukken, 4 bassen en aan de waterkant nog eens 21 stukken) en had een
bezetting van 130 man en 14 vrouwen. Er was geen schot gelost.
 |
Deze,
uit goedkope materialen (glaskralen en koper) vervaardigde
kroon, was bedoeld aan een geschenk van de Engelse Koning aan de
"Koning" van Arda. Een neger hoofdman met wie Engeland
handelsbetrekkingen wenste aan te knopen.
de Ruyter
maakte de kroon buit. |
De
Krijgsraad gaf het fort officieel terug aan de WIC. Johannes Cellarius,
fiscaal op het eskader van Van Meppel, werd de nieuwe gouverneur. Er
werd een bezetting van 130 man aan de wal achtergelaten, met als
commandant adelborst Van Nievelt. Het kleinste van de acht Engelse
schepen werd in beslag genomen en zou als patrouillevaartuig ter
beschikking van de nieuwe gouverneur achterblijven. Voor vertrek
bracht De Ruyter nog een bezoek aan een negerdorp in de buurt. Hier
ontdekte hij tot zijn grote verbazing Jan Compagnie, de neger die ooit
a/b v.e. VOC-schip naar Vlissingen was gekomen en daar als
leeftijdgenoot van de Ruyter samen kattekwaad uithaalden. Hij werd a/b
van de Ruyter’s De Zeven Provinciën gefêteerd.
De nu 60-jarige Afrikaan was onderkoning en had het buitengewoon naar
zijn zin. Een aanbod om mee terug te gaan naar de Nederlanden wees hij
dan ook resoluut af.
Herstel
van het gezag in Sierra Leone
Op
6 november 1664 zeilde de vloot, met een noordelijke bries,
naar de kust van Guinea. Het weer zat niet mee, ze naderden de
equatoriale stilte gordel of ‘doldrums’, een gebied tussen 6 á 7
º noord en zuid met variabele winden en onstabiel weer. De vloot
begon al spoedig gebrek aan water en voedsel te krijgen. Uiteindelijk
besloot men om iets terug te varen naar Sierra Leone, om daar te
verversen. De talrijke riviermondingen met uitgebreide zandbanken
bemoeilijkten de navigatie. Een ander probleem was dat op één man na
geen van de opvarenden ooit in dit gebied geweest was. Elk ‘glas’
(half uur) werd gelood en er werden sloepen vooruit gestuurd om het
vaarwater aan te loden. Geschikte kaarten van het gebied bezat men ook
niet. Uiteindelijk vonden ze op 4 december de monding van de rivier
die toegang gaf tot wat nu bekend staat als de Baai van Freetown.
Ter gelegenheid van hun bezoek lieten beide aanvoerders hun namen in
een rotsblok beitelen: “M. A. DE RUITER – I. C. MEPPEL 1664”. De
steen wordt nog steeds in Freetown, de hoofdstad van het huidige
Sierra Leone, bewaard.
 |
De
steen bij
FREETOWN |
 |
Detail |
Van
Engelsen in de buurt vernam men dat er een Hollands gezin, man, vrouw
en twee dochters, hoger op de rivier als slaven gevangen werden
gehouden. De Krijgsraad besloot ‘satisfactie te nemen’. Met enkele
van de kleinere schepen van de vloot voer De Ruyter de rivier op. Bij
de Engelse factorij vernam men dat de vrouw inmiddels gestorven was en
dat de man en zijn twee dochters het oerwoud in gevlucht waren.
Kapitein schout-bij- nacht Willem van der Zaen, commandant van de ’t
Geloof, zond een sloep het binnenland in om de drie te zoeken. De
volgende dag keerde de sloep met de drie Hollanders aan boord terug.
De man bleek Gysbert Hendricksz van Westbroek uit Utrecht te zijn. Zij
waren opvarenden van de door de Engelsen veroverde De Bril
geweest en waren buitengewoon slecht behandeld door de Britten.
De
Ruyter besloot met de Krijgsraad als straf voor het Engelse optreden
alle goederen van de handelsnederzetting in beslag te nemen. De lijst
van geconfisqueerde goederen bevatte onder meer 1420 olifantsstanden,
975 koperen ketels en bekkens, 14 kisten met messen, musketten,
bronzen draaibassen, zakken peper en zout en 2689 pond rijst, en een
bronzen kroon, die een negervorst van de latere Koning Jacobus II ten
geschenke gekregen had, De buit
werd eerlijk over de schepen verdeeld. Op maandag 15 december werd de
reis voortgezet.
Langs
de Goudkust
Het
bleef kwakkelen, veel regen en slecht weer, maar over het algemeen
weinig wind, het echte weer van de doldrums. Voorzichtigheid speelde
een hoofdrol in de navigatie. Men voer relatief ver uit land, pas op
28 december
zag
men land: de Peperkust (het huidige Liberia). Dicht onder de kust
varend waren de schepen vaak omgeven door kano’s met handelswaar, De
Ruyter voer echter zoveel mogelijk door om geen tijd te verliezen. Op
4 januari 1665 passeerde men Kaap Tres Puntas op de Goudkust. Nabij
Boutrou (Fort Bodesteijn) kwam commies Rietbeeck van de WIC aan boord.
Besloten werd door te varen naar Tacorary (het huidige Takoradi, toen
ook bekend als Fort Witsen), een fort dat ook door de Engelsen in
bezit was genomen.
Een
poging om een onderhandelaar naar de wal te sturen mislukte, hij werd
door de Engelsen onder vuur genomen. De Krijgsraad besloot vervolgens
om de zaak groots aan te pakken. Een strijdmacht van 431 man, onder
aanvoering van graaf Johan Belgicus van Hoorne en de kapiteins van
Nes, Swart en Eland du Bois werd aan land gezet. De Engelsen
verdedigden zich maar zwakjes, wel waren er horden negers die de
Hollanders onder vuur namen. Het duurde niet lang of de Hollanders
hadden de overhand en veroverden het fort. Er bleken slechts dertien
Engelsen te zijn, waarvan de meesten ook nog ziek waren.
Het
fort werd voorlopig met vijftig man bezet. De volgende dag verschenen
er zo’n 200 of 300 kano’s die gestuurd waren door gouverneur
Valkenburg uit Elmina, het belangrijkste Nederlandse bolwerk in de
omgeving. Twee commiezen brachten een brief van Valkenburg waarin hij
adviseerde om het Fort Tacorary te vernietigen. Elk van de twaalf
schepen leverde een vaatje buskruit voor dit doel en onder toeziend
oog van De Ruyter zelf blies men het fort op.
De
zwarte hulptroepen
hielden ondertussen
geweldig huis
onder de stammen die met de Engelsen hadden gewerkt. Toen de
Engelse gevangenen naar de schepen werden gebracht moest men ze met
man en macht tegen de wraakzucht van de hulptroepen verdedigen.
Vervolgens werd koers gezet naar Elmina, de belangrijkste WIC
vestiging in West Afrika. De vloot arriveerde op 7 januari 1665 op de
rede van de handelsvestiging.
 |
|
Fort
Elmina |
|
Elmina
werd door het vlaggenschip begroet met elf saluutschoten. Gouverneur
Valkenburg beantwoordde die met slechts negen schoten. Dit
was niet volgens de etiquette, De Ruyter was als bevelhebber van een
landsvloot hoger in rang dan de gouverneur. De Ruyter noteerde in zijn
journaal ‘dat het nyet betaemde’, maar liet het er verder bij. In
overleg met de gouverneur werd besloten alle buitgemaakte goederen
hier te lossen. Dat was niet eenvoudig want alles moest in sloepen
overgeladen worden, naar het strand geroeid worden en daar opnieuw
gelost worden. Op 10 januari 1665 arriveerde het adviesjacht Vergulde
Tijger van de Amsterdamse admiraliteit. De Ruyter vernam uit de
correspondentie dat een Engelse vloot van acht oorlogsschepen en tien
bewapende koop-vaarders onder bevel van Prins
Rupert op
het punt stond uit te varen naar West Afrika. Hij vernam tevens dat de
Staten-Generaal de laatste hand legde aan de uitrusting van een vloot
van twaalf schepen, onder bevel van Commandeur Jan van Campen.
Deze vloot
zou zich onder
bevel van De Ruyter stellen. De admiraal kreeg tevens opdracht om alle
Engelse schepen waar hij de hand op kon leggen te veroveren of te
vernietigen. Duidelijke taal. De brieven waren gedateerd 21 oktober
1664 en hadden er dus ruim tien weken over gedaan. Op grond van de
nieuwe orders werden, met onmiddellijke ingang, twee van de in Goeree
in beslag genomen schepen, de Victoria en de St. Martha,
tot Nederlandse branders omgedoopt. De vraag was nu wie er het eerste
zou arriveren: Jan van Campen of Prins Rupert.
 |
Hoe
nu verder te handelen? Fort Corso werd zwaar verdedigd en was omringd
door leden van de Fetu stam, een stam die erg anti-Nederlands was. Een
ander groot en sterk Engels fort was Cormantijn. Dit was het gebied
van de Fantijn stam, ook erg anti-Nederlands en met een sterke en
wrede aanvoerder: Jan Kabesse. De zwarten van Cormantijn waren echter
te koop. De beste aanpak, schreef gouverneur Valkenburg in een
omvangrijk stuk, was om eerst Cormantijn aan te vallen. De gouverneur
onderhandelde met de Fantijnen en voor een bedrag van f. 24.000 werden
ze grote vrienden. Onder leiding van graaf Jan van Hoorne en de
kapiteins Sweers, ’t Hoen, Jan van Nes en Swart werd een
landingsdivisie van duizend soldaten en matrozen gevormd.
Twaalfhonderd pro-Nederlandse inboorlingen voeren op kano’s mee om
te helpen. Om vriend van vijand van elkaar te onderscheiden kregen de
‘Nederlandse’ zwarten elk een stuk wit linnen om de hals.
De
verovering van Cormantijn
Op
6 februari ging de vloot van Elmina onder zeil, oostwaarts de Goudkust
volgend. Men passeerde Kaap Corso en het Nederlandse Fortje Mauree
(Nassau) dat met kanonschoten groette. Men ankerde nabij het kleine
Engelse Fort Annemabo en Adja, waar bevriende negers een princevlag
zouden laten waaien, er was echter niets te zien, integendeel van
Annemabo vuurde men tweemaal met scherp. Even later bliezen de
Engelsen hun fort op en trokken zich terug op Cormantijn. Fort Adja
werd in een oogwenk ingenomen. De inmiddels gearriveerde Fantijnen
begonnen op een verschrikkelijke manier huis te houden met de
pro-Engelse negers. Ze werden bloedig in stukken gehakt. De aanval op
Cormantijn begon furieus.
 |
Alhoewel
het fort een sterke bezetting had en over 28 of 32 stukken beschikte
ging het voor de Engelsen meteen al fout. Binnen de kortste keren
waaide de princevlag op twee plaatsen van het fort, de inheemse
nederzetting rond het fort stond van het begin af in vuur en vlam. De
Engelsen raakten in paniek en hielpen zelfs de Hollanders met het
binnen
komen in het fort, in de hoop dat deze hen konden beschermen tegen de
furieuze inboorlingen. Jan Kabesse, de aanvoerder van de pro-Engelse
zwarten, bood gouverneur Selwyn aan om het lont in het kruitmagazijn
te steken en zo de hele zaak op te blazen. De gouverneur wees dit
echter van de hand. Hij doodde vervolgens zijn zoon en twee slaven en
pleegde zelfmoord, hij wenste niet levend in Nederlandse handen te
vallen. De strijd was over en het plunderen, vooraf toegestaan door De
Ruyter, kon plaatsvinden. Weldra strekte deze zich uit tot in alle ‘speloncken
en heymelijcke kamers. Een bootgesel, een jongh Engels
Vroumens ondertastende, haelde 24 goude ringe uyt haer’.
Na
het plunderen werd het zuipen, het fort was goed voorzien van Spaanse
wijnen, brandewijnen, bier en andere soorten alcoholica. De geest was
uit de fles en het kostte De Ruyter de grootste moeite deze weer
opgesloten te krijgen. Hij ging hiertoe zelf de wal op om de orde te
herstellen en dank zij zijn grote persoonlijkheid lukte hem dit binnen
de kortste keren. Op 11 februari was alles weer genormaliseerd. De
Ruyter liet op Cormantijn 52 schepelingen, 10 man van de WIC en 10
negers achter. Het scheepsvolk zou zo spoedig mogelijk door WIC
personeel afgelost worden. De vloot zeilde terug naar Elmina, het
kleine Fort Asjan, halverwege Mauree en Cormantijn, liet men voor wat
het was. Ingesloten tussen Nederlandse forten zou het als handelspost
naaralle waarschijnlijkheid
snel ineenstorten. Op 12 februari lichtte de vloot haar ankers en
zeilde naar Elmina.
Nieuwe
orders
De vloot arriveerde op 13 februari op de rede van Elmina. Men lag
nauwelijks voor anker toen een pui aan de horizon verscheen.
Het bleek een adviesjacht van de Staten-Generaal te zijn met brieven
voor De Ruyter en gouverneur Valkenburg. Het jacht had er slechts
zeven weken en vijf dagen over gedaan van de Maas naar Elmina.
De
Ruyter werd geïnformeerd dat Commandeur van Campen met zijn tien
schepen toch niet zou komen, maar Prins Rupert evenmin, deze laatste
moest met zijn achttien schepen in de Engelse wateren blijven onder
’s konings’ broer James, de Hertog van York en Albany. Een latere
brief, gedateerd 12 december, zei dat de Engelsen nu ook in Europa
Nederlandse schepen hadden opgebracht. Voorts werd melding gemaakt van
‘hostile agressiën’ in Nieuw Nederland. De Ruyter kreeg
opdracht om in overleg met Valkenburg zoveel mogelijk Engelse forten
als doenlijk was te veroveren ‘by wege van retorsie’ aan
Engeland. Daarna moest hij zoveel mogelijk schade toebrengen aan
Engelse bezittingen in Barbados, Nieuw Nederland, Terreneuve (Newfoundland)
of andere eilanden en plaatsen. In plaats van om naar Cádiz terug te
keren, zoals oorspronkelijk de bedoeling was geweest, zou hij
benoorden Schotland naar Nederland terugzeilen.
Kaap
Corso liet men voor wat het was. De Engelsen ontruimden ook Fort Asjan,
daardoor waren er geen soldaten meer nodig in Cormantijn, de
bezettingsmacht kon nu geheel uit WIC personeel bestaan. Om Valkenburg
te steunen liet De Ruyter 42
vrijwilligers in Elmina achter, die in dienst van de WIC over de
diverse forten verdeeld zouden worden. Besloten werd om de vloot zo
snel mogelijk in gereedheid voor de tocht te brengen. Men laadde een
behoorlijke hoeveelheid goud, deels als verrekening van de
buitgoederen, deels voor vervoer naar de WIC in Amsterdam. Het
scheeps-volk ontving vast een voorschot op de buitgelden.
Gouverneur
Valkenburg gaf op 27 februari aan de scheepsofficieren een
afscheidsmaal, De Ruyter kon jammer genoeg het feest niet bijwonen
wegens roodvonk. Diezelfde avond nog werden de ankers opgehaald en
begon een nieuw hoofdstuk in de langste reis van Michiel de Ruyter.
In
het Caribische gebied
De
vloot telde nu 14 zeilen (12 oorlogsschepen, een behoeftefluit, en de
brander Martha). De vloot voer aanvankelijk in zuidoostelijke
richting, ze bevonden zich nog steeds in de doldrums en er was weinig
wind. Vanaf half maart begon de zuidoost passaat door te staan en kon
men goede vooruitgang in westelijke richting boeken.
Op
24 maart vierde De Ruyter zijn 58e verjaardag. In het
journaal van de Spiegel staat dit als volgt vermeld: ‘…de
windt Z. en koers W. met een harde koelte, en een starcke voortgangh,
’s morgens was den Heer Vice-Admiraal jarigh, en was doen oudt 58
jaren, en het gehele Scheepsvolk kreeg yder een half mutsje
Brandewijn, wy hadden ’s middaeghs de hooghte van 3 graden 16
minuten…..’.
Vanaf
half april kon men pal west sturen, recht op Barbados aan. Vlak voor
het eiland aangelopen werd wachtte De Ruyter op achterblijvers. Op de
rede van Barbados lagen ruim dertig Engelse schepen. Op 30 april, om
11 uur in de ochtend, liep de Spiegel onder volle zeilen de
baai in met in het kielzog kapitein Sweers met de Middelburg. De
princevlaggen woeien uit. Van de wal werd door de forten een levendig
vuur geopend en ook de Engelse schepen lieten zich niet onbetuigd.
Zonder zich ergens iets van aan te trekken zeilde De Ruyter door tot
hij met zijn boegspriet nog geen vier vadems van de vijandelijke
schepen af was. Toen gaf hij hen de volle laag, ging snel over stag,
en gaf de andere laag. De overige schepen deden hetzelfde, deels op de
schepen richtende, deels op de forten. De verwarring was groot, tal
van Engelse schepen trachtten zich te redden door hun schip op het
strand te zetten. Ook de Nederlandse schepen liepen nog al wat schade
op. Na anderhalf uur vechten vond De Ruyter het welletjes. Men liet de
vloot met de eb mee naar buiten drijven en ankerde binnen
schootsafstand van de Engelsen.
De
Krijgsraad besloot om eerst te verversen op het Franse eiland
Martinique. Men ankerde nabij Fort de France, heel dicht onder
de wal, zo dicht dat men de schepen met een touw aan de bomen vast kon
maken. De Ruyter bracht
een bezoek aan de gouverneur en aan de familie Macaré, een voorname
Zeeuwse familie, die al jaren op het eiland woonde. Het duurde niet
lang of er kwam ‘…een Prau aen boort met Wilden die alt’samen
roodt geverft waren, en hadden kopere plaetjes door hare ooren, oock
eenige ringen door haer neus, en hadden langh zwart hayr, gingen heel
moedernaeckt sonder yetwas voor haer schamelheyt te hebben….’.
De
schepen werden schoongemaakt en gerepareerd en de gesneuvelden
begraven. Voedsel en water werden ingeslagen. Met een deel van de
vloot vertrok De Ruyter al na enkele dagen om in de omgeving naar
Engelse schepen te speuren. Aert van Nes zou met de rest van de vloot
later volgen. Omstreeks deze tijd vernam men op de vloot dat de
Tweede Engelse Oorlog officieel was uitgebroken. Nu was er geen
enkele terughoudendheid meer nodig bij het veroveren van Engelse
schepen.
Onderweg
naar St. Kitts (St. Christopher) slaagde men er in om negen kleinere
Engelse koopvaarders te pakken te krijgen. Een groot Engels fregat
ontsprong de dans, maar werd later veroverd door
kapitein Sweers. Op 12 mei bereikte men het Franse St. Kitts.
Hier verkocht De Ruyter enkele van zijn prijsschepen voor
twaalfduizend pond suiker per schip. Twee dagen later zette men zeil
naar het Nederlandse eiland St. Eustatius. Ook hier verkocht hij
enkele van zijn prijzen, nu voor katoen en suiker.
Op
weg naar huis
Op
17 mei besloot men te vertrekken. De vloot bestond nu uit 20 schepen,
t.w. 12 oorlogsschepen, de behoeftefluit, een brander en 5 beladen
prijsschepen, alsmede een Rotterdams schip, de S. Petrus, die
in St. Kitts suiker en tabak had geladen. Men zette koers via St.
Maarten naar de Bermudas. Van een aanval op Nieuw Nederland werd door
de Krijgsraad afgezien. Een belangrijke overweging hierbij was dat men
aannam dat de Engelsen in Nieuw Nederland ongetwijfeld van het bestaan
van de vloot op de hoogte waren en met aan zekerheid grenzende
waarschijnlijkheid tegen-maatregelen hadden genomen. Dit zou kunnen
betekenen dat de vloot onnodig verzwakt zou kunnen worden en dan bij
het bereiken van de thuiswateren een gemakkelijke prooi voor een
Engelse vloot zou kunnen zijn. De slecht bezeilde prijs Kings Arms
werd met brieven rechtsreeks naar het vaderland gestuurd, met de
opdracht om benoorden Engeland tot onder de Noorse kust te sturen en
dan, al naar de inlichtingen uitvielen, zo nodig naar Hamburg of Emden
uit te wijken.
Van
de Bermudas zette men koers naar Terreneuve (Newfoundland). Eenmaal in
de buurt van dit eiland werd de navigatie wederom een hachelijke zaak.
Vooral mist en ijsbergen speelden de vloot parten. Men pikte een
handvol Engelse visserschepen en koopvaarders in en bereikte
uiteindelijk St. John’s baai, de voornaamste nederzetting op
Terreneuve. Er was hier niets te halen, kapitein Sweers merkte zelfs
op dat het een plek was waar je eerder iets naar toe moest brengen.
Men zette hier de Engelse bemanningen van de prijzen aan land en gaf
ze voldoende voedsel en water mee om de Engelse nederzettingen op de
Amerikaanse kust te kunnen bereiken.
Op
21 juni ging de vloot onder zeil voor de laatste grote oversteek. Het
werd geen gemakkelijke tocht. Slecht weer zorgde voor veel schade
onderweg en maakte het vaak nodig
om de gehele vloot
te laten bijdraaien tot een bepaald schip de schade had hersteld.
Tijdens de hondenwacht van de 16e juli deed zich iets voor dat zelden
op een schip gebeurde, er werd een jongetje geboren in de
konstabelskamer, hij werd Marinus gedoopt. Zijn ouders waren uit Nieuw
Nederland gevlucht en op St. Kitts terecht-gekomen, daar had De Ruyter
ze bij zich aan boord genomen.
Op
18 juli kwam er land in zicht, het bleken de Färöer Eilanden te
zijn. Er was geen leven te bekennen, er was echter ook niemand aan
boord die dit gevaarlijke klippengebied goed kende. De Krijgsraad
besloot dan ook om via de Shetland Eilanden naar Noorwegen te zeilen,
om zo het risico van een ontmoeting met een Engelse vloot zo veel
mogelijk te verkleinen. Aldaar voegde hij zich bij Pieter
de Bitter,
die met 12 retourschepen in de baai bij Bergen de Engelsen van zich af
had kunnen houden. de Ruyter begeleidde hem met zijn vloot naar hedt
Vaderland.
Uit veiligheidsoverwegingen werd de vloot in vier eskaders verdeeld,
onder respectievelijk De Ruyter, Van Meppel, Van der Zaen en Ooms. Het
was De Ruyter er alles aan gelegen om de rijkbeladen vloot zo
heelhuids mogelijk thuis te brengen.
 |
Joan
Corneliszn
MEPPEL. |
Met
de wind van achteren maakte de men nu goede vorderingen. Op 22 juli
kwam een galjoot (een licht kustvaartuig) hen tegemoet. Het was De
Verlooren Zoon uit Huisduinen, die hier kruiste om thuisvarende
koop-vaardijschepen, in het bijzonder dertien Oostindievaarders die
men verwachtte, te ‘waerschouwen dat sy haer soude salveeren in
de naeste neutrale Plaetsen’. Ook vernam men van de rampzalige
zeeslag bij Lowestoft waar de Nederlandse vloot verpletterend
verslagen was en hoe opperbevelhebber Van Wassenaer Obdam met zijn
schip de lucht in gevlogen was. Niet alleen hij, maar ‘ook eenige
andere van de voornaemste Helden hun leven ten dienste van ’t
Vaderlant hadden gelaten’.
Op
28 juli kwam men acht fluitschepen tegen, de meeste kwamen van Hamburg
en waren op weg naar Rusland, één had als bestemming St. Christoffer
in West-Indië. Ze hadden enkele Amsterdamse en Haarlemse kranten aan
boord, van mei tot 14 juli. Een opbeurend bericht was dat de
Staten-Generaal een vloot van 80 schepen in het Vlie gereed hadden
liggen, de Engelsen hadden echter ook een vloot van 80 schepen gereed.
Ook vernam men dat enkele Nederlandse kapiteins van de vloot van Van
Wassenaer waren geherquebuseert (geëxecuteerd door een
vuurpeloton) wegens plichtsverzuim. De Ruyter begreep op grond van
deze berichten dat het van belang was om tot iedere prijs een
ontmoeting met een Engelse vloot te vermijden. Dat er een Engelse
vloot onder admiraal Sandwich in de buurt naar hem op zoek was vernam
hij van Noorse vissers. De Krijgsraad besloot dan ook om geen Noorse
havens aan te lopen, maar langs de zandbanken voor de kust van Jutland
naar het zuiden te koersen. Van de vissers langs de kust konden ze dan
de laatste nieuwtjes krijgen.
In
dichte mist voeren ze zuidwaarts,
de Engelse
vloot, die in de buurt
was, werd niet gezien. Zo bereikten zij Helgoland, hier kregen zij
loodsen aan boord en kon er koers gezet worden naar de Wester Eems.
Indien nodig zouden ze de Elbe op varen. Gelukkig zat het weer mee,
een noordelijke wind maakte het mogelijk richting Delfzijl te koersen.
Op
6 augustus bevond de vloot – nog steeds alle 19 zeilen sterk –
zich voor de Ooster-Eems. Langs de eilanden Juist en Borkum varende,
met behulp van de ebstroom, bereikte men de Wester-Eems, het
Nederlandse zeegat dat toegang geeft tot Delfzijl. Hier bleken in
verband met de oorlog alle boeien en bakens weggenomen te zijn om de
Engelse vloot buitengaats te houden. Er was geen loods te krijgen. De
Ruyter, als excellente zeeman, had er geen problemen mee. Voorop
zeilend met de Spiegel, en met twee kleine prijsschepen aan
weerszijde van het vlaggenschip, voortdurend lodend, zeilden ze
behoedzaam naar binnen. Halverwege keerde het tij en moesten ze zes
uur wachten op het nieuwe inkomende tij.
Op
6 augustus 1665 kwam de vloot ten anker op de rede van Delfzijl. De
ontvangst was overweldigend. Van heinde en ver stroomden mensen toe om
de vloot met zijn beroemde admiraal te zien. Onder hen ook Willem van
de Velde (de Oude), de beroemde zeeschilder. De Hollandtsche
Mercurius schreef: ‘Men kreegh stracx soo veel aenloop van
Volck uyt Groeningen en Vrieslandt, soo dat een geheele Buyrt van
Kraemen aen den Dijck en gevolgelijck een Kermis by-na wierd
opgericht: Want de blijtschap was te grooter, vermits de Engelse, die
altoos soo nau op dese Vloot hadden gepast en gekoockt, niet alleen in
haer Desseyn failleerden, nemaer, dat men de Maets sag aen-komen wel
gespeckt, en, dat notoir is, in haer geheele reyse fris en gesont’.
Aan
de Staten-Generaal zond De Ruyter onmiddellijk na aankomst een
beknopt, maar duidelijk verslag van de gebeurtenissen gedurende de
reis. Op 9 augustus, dus drie dagen na aankomst, kreeg hij
een brief van Johan de Witt. Ook de diverse admiraliteiten bezochten
de vloot in Delfzijl. De gevangen Engelse gouverneur werd onder
geleide naar Amsterdam overgebracht.
De
vloot moest zo spoedig mogelijk naar het Vlie of naar Texel
vertrekken, en daarom diende er onmiddellijk opnieuw gemonsterd te
worden. Niet iedereen was daar gelukkig mee, een aantal opvarenden was
inmiddels al weggelopen. Een grote uitzondering was de Spiegel,
De Ruyter’s vlaggenschip. Van de 316 man waarmee De Ruyter op 8 mei
1664 uit het Vlie vertrokken was meldden zich 292 koppen voor het
nieuwe avontuur. Dat 90% van de bemanning, slechts enkele dagen na
binnenkomst van een reis van vijftien maanden, onmiddellijk bijtekende
schetst hoe De Ruyter als commandant, zeeman en mens op handen werd
gedragen.
Voor
vertrek hadden de officieren van de vloot, verzameld aan boord van het
vlaggenschip de de Spiegel, op grootse wijze afscheid
van hun geliefde en gerespecteerde commandant genomen en hem onder
’t saluteren van het Canon van de Opper-Hoofden, alsmede van het
Canon op de Wallen van Delfziel’
naar de wal begeleid.
Terwijl de vloot onder Meppel buitenom naar het Vlie zeilde, vertrok
De Ruyter met zijn gezin per trekschuit naar Texel. Een pikant detail
was dat de twee kisten goud, die in Elmina aan boord van de Spiegel
geladen waren, direct door de West Indische Compagnie opgeëist
werden, dit ging echter niet door. De kisten gingen onder de hoede van
mevrouw De Ruyter voorlopig naar haar huis in Amsterdam. Ook de
overgebleven gelden voor het vrijkopen van Christelijke slaven in
Barbarije gingen met haar mee naar huis. De reden van deze regeling
was dat de bemanning nog recht had op buitgelden, die moesten uit het
WIC-goud betaald worden. Men had kennelijk weinig vertrouwen in de WIC
als het op het uitbetalen van buitgelden aankwam. Het gezag van De
Ruyter was nu zo groot dat dit soort regelingen zonder commentaar
geaccepteerd werden.
Opperbevelhebber
van de Nederlandse vloot
Met
het oog op de ontwikkelingen met Engeland hadden de admiraliteiten en
de Staten-Generaal rond de jaarwisseling 1664/65 de rangen en standen
van ’s lands vloot kritisch bekeken. Dit leidde tot een groot aantal
promoties. De Ruyter, Meppel, Johan
Evertsen, Kortenaer
en Stellingwerff
werden
tot luitenant-admiraal, de hoogste rang bij de marine, benoemd.
Tijdens de slag
bij Lowestoft,
op 13 juni 1665, sneuvelden behalve Van Wassenaer van Obdam, ook
Kortenaer en Stellingwerff. De hier door ontstane vacatures werden
opgevuld met de benoeming tot luitenant-admiraal van Cornelis
Tromp, Cornelis
Evertsen de Oude
en Tjerk Hiddes de Vries.
Probleem
was echter wie nu opperbevelhebber moest worden. Het was algemeen
bekend dat Cornelis Tromp meende dat hij de enige was die deze functie
toekwam. De Staten van Holland, en vooral Johan de Witt, drongen er
bij de Staten-Generaal op aan om voor De Ruyter te kiezen. Op 11
augustus 1665 besloten de Staten Generaal Michiel Adriaenszoon de
Ruyter tot opperbevelhebber van ’s lands vloot te benoemen.
Terug
naar de vorige pagina.
|