|
MARE
LIBERUM.
en
DE
AKTE VAN NAVIGATIE.
Drs
Dirk J. Barreveld is oud-Hoogleraar economie, oud-stuurman Grote
Vaart, officier K.M.b.d.
auteur van maritiem-historische en populair-wetenschappelijke werken.
Er
wordt vaak weinig bij stilgestaan dat de 17e eeuw een eeuw
met een hoge beschaving was. Natuurlijk, er waren geen elektronische
gadgets, verfijnde medische operaties of reizen naar de maan, dat kwam
allemaal later. Het was echter een maatschappij die goed in elkaar
zat. Er was bijvoorbeeld een goed postsysteem door heel Europa. De
Ruyter kon in de haven van Malaga of Livorno rustig een brief aan de
Staten-Generaal schrijven en wachten op antwoord, dat duurde hooguit
enkele weken. Bij sneuvelen van bevelvoerders werden vervangers uit
Nederland gestuurd. Onze administratie was tot in de perfectie
geregeld. Als we in de grote Nederlandse archieven kijken,
bijvoorbeeld het Algemeen Rijksarchief, dan zien we honderden meters
archief van de VOC, de WIC, de Staten Generaal, de Raad van State,
gemeenten enz. Wie de boekhouding van de VOC bekijkt weet niet wat hij
ziet, zo gedetailleerd. Er was een goedwerkend juridisch apparaat.
Voor onze internationale scheepvaart en handelsactiviteiten werkten
wij binnen de context van Mare Liberum, het recht van de
Vrije Zee, een schepping van een jonge Hollandse advocaat.
 |
Hugo
de Groot.
1583 - 1645 |
Hugo
de Groot (1583-1645) werd geboren te Delft als zoon van een Nederlands
patriciersgeslacht. Hugo was een briljante leerling, op zijn achtste
kon hij al dichten in het Latijn, hij was net elf jaar oud toen hij
rechten ging studeren in Leiden. Hij specialiseerde zich in
internationaal recht. Behalve rechtsgeleerde was hij ook theoloog. Hij
bleef in het kleine Holland niet onopgemerkt en vergezelde in 1598
(hij was pas vijftien jaar oud) Van Oldenbarnevelt op een diplomatieke
reis naar Frankrijk. Tijdens deze reis promoveerde hij en passant
te Orléans in de rechtswetenschappen. Een jaar later werd hij
advocaat te Den Haag.
In
1603 of 1604 kreeg De Groot het verzoek de positie van de Verenigde
Oost-Indische Compagnie te rechtvaardigen, toen Heemskerck (de
Heemskerck van Barentsz en Heemskerck, en degene die later bij
Gibraltar zou sneuvelen) eigenmachtig een rijkbeladen Portugees schip
had veroverd. De aandeelhouders van de jonge VOC waren daar helemaal
niet zo blij mee. Ze kregen honderdduizenden guldens aan goud
(buitgeld), maar misschien zou vreedzaam handeldrijven op den duur
voor hen veel slimmer zijn dan een dure oorlog te voeren.
Oldenbarnevelt was echter in staat het hele plaatje te overzien en
alle kosten en baten tegen elkaar af te wegen. Hij zag in dat Portugal
wel een belangrijk koloniaal imperium had, maar maritiem eigenlijk
heel zwak was en de steun van Spanje nodig had. Als Portugese schepen
werden aangevallen in de Oost, zou dat Spanje dwingen zijn schepen
daarheen te sturen en die werden daardoor onttrokken aan de strijd in
Europa.
Hugo’s
werk kreeg te titel De Jure Praedae, het werd nooit uitgegeven,
omdat dat de heren van de net opgerichte Verenigde Oost-Indische
Compagnie (VOC) op dat moment slecht
uitkwam. Het
beroemde Mare Liberum (Vrije Zee)’ maakte deel uit van
dit werk. Maar waarom is ‘De Jure Praedae’ in die tijd dan nooit
gepubliceerd? Daar is geen hard bewijs voor, maar in de winter van
1605 was er een eerste begin van vredescontacten met de Spaanse Koning
Philips III van Spanje. Het was heel goed mogelijk geweest dat Spanje
als tegenprestatie zou eisen dat Nederland de aanval op het koloniale
rijk van Portugal zou stopzetten. Economisch gezien had dat op dat
moment best gekund; de
welvaart van
de Nederlandse
Republiek berustte toen (nog) niet op onze koloniale handel,
maar op de centrale positie van de Republiek in het Europese
economische leven. Voor bepaalde kringen in Amsterdam, Middelburg en
Delft had dat evenwel heel pijnlijk kunnen zijn. Hugo de Groot had
familierelaties in dat milieu, nog meer dan Oldenbarnevelt.
De
vraag is natuurlijk waarom ‘Mare Liberum’ in 1609 toch werd
gepubliceerd. Toen in 1609 ‘Mare Liberum’ als anoniem pamflet in
het openbaar kwam was Hugo de Groot als officieel jurist in dienst van
de Staten van Holland. Waarschijnlijk dacht men dat het beter was dat
zo'n radicaal en intransigent geschrift niet onder de naam van een
officiële functionaris verscheen. Het kwam eigenlijk te laat om een
rol te spelen in de onderhandelingen over het Twaalfjarig Bestand.
Daarin wordt over de vaart buiten Europa uiteindelijk niets gezegd,
dus daar ging het conflict gewoon door. Tijdens het ‘Bestand’
echter had de VOC wel belang bij een dergelijk stuk, uiteindelijk was
men niet van plan in de Oost de op het programma staande expansie (o.m.
de verovering van Ceylon en Malacca) af te blazen. De Groot’s leuze de
vrijheid van de zee heeft in het begin van de zeventiende eeuw een
duidelijke politieke en economische functie gehad.
De
jonge Nederlandse Republiek had er belang bij de Europese publieke
opinie te winnen voor haar strijd tegen Spanje, waarmee Portugal vanaf
1578 verbonden was. Het zou niet zo'n erg slimme zet zijn geweest als
de Republiek zomaar had gezegd dat haar expansie in de Oost geheel en
al plaatsvond vanwege haar eigen financiële, politieke en militaire
machtspositie. Het was uiteraard verstandiger haar strijd tegen (het
Katholieke) Portugal en (Katholieke) Spanje voor te stellen als een
strijd voor het behoud van de (Protestantse) vrijheid van Europa en de
rechten, ook van Frankrijk en Engeland, op de vrijheid van de zee. Het
boek van De Groot diende dus een duidelijk praktisch belang. Het ging
Nederland om de toegang tot de Aziatische handel. De Groot beriep
zich, heel slim, vooral op een aantal Spaanse auteurs, zoals Vitoria,
die betoogd hadden dat je uit moest gaan van de vrijheid van de zee,
maar dat in het belang van de kerstening van de indianen een Spaans en
dus ook een Portugees monopolie toch gerechtvaardigd was. Later
verweten de Engelsen Nederland dat ze precies hetzelfde deden in Indië,
en later op het westelijk halfrond (West Afrika, Brazilië en Nieuw
Nederland), maar toen bezigde Hugo de Groot een andere redenering,
namelijk dat de handelsverdragen met de inheemse vorsten nu eenmaal
uitsloten dat andere landen specerijen uit de Molukken haalden.
In
het midden
van de zeventiende eeuw was echter het Nederland van Hugo de
Groot beslist geen machteloos klein landje meer. Het was een bedreigde
staat, zeker, maar een staat met een groot potentieel, die aan een
imperiale expansie in de Oost bezig was en op een bepaald ogenblik de
leidende economische macht in Europa was. Nederlandse staatslieden
zoals Van Oldenbarnevelt of De Witt waren bepaald niet schuchter om
dat toe te geven. De politiek van Nederland als koloniale mogendheid
bracht zekere gedragingen en geschriften met zich mee. Men zou dat
hypocriet kunnen noemen, dat is een kwestie van definitie.
De
Nederlandse aanspraken op vrije vaart en visvangst op de zeeën waren
gericht tegen het monopolie van de Portugezen in Oost-Indië. Nog geen
twintig jaar later konden de Engelsen dezelfde argumenten tegen
Nederland inbrengen, dat - in veranderde machtsverhoudingen - andere
landen van handel in de Oost trachtte uit te sluiten. De vrije zee
lijkt dus vooral te functioneren als argumentatie van opkomende
mogendheden tegen degenen die de macht al uitoefenen. En als argument
voor degenen die de macht hebben tegen maritiem zwakkere naties. De
Groot schrijft dit bijna poëtisch en refereert voortdurend aan
principes van het natuurrecht en de vrijheid van handel.
De Groot vergelijkt de Portugezen met struikrovers die de openbare weg
onveilig maken en die dus door Nederlandse oorlogsschepen moeten
worden aangepakt. Daarbij maakt hij gebruik van bij het publiek
bekende citaten van Ovidius, Vergilius en Horatius en als het uitkomt
uit de bijbel. Hij bespeelt alle registers, van geleerd tot
populistisch. De term 'mare liberum' is misschien eerder gebruikt,
maar als pregnante strijdkreet is het zijn eigen uitvinding. Bovendien
is zijn standpunt in dit geschrift heel radicaal: hij stelt dat je
tegen de wil van andere staten in geen enkele rechtsmacht over de zee
kunt vestigen. Hij verbindt dat met de vrijheid om handel te
voeren, want de zee is dienstig aan het verkeer van de mensheid. Het
onuitgegeven manuscript van het hoofdwerk werd overigens pas diep in
de negentiende eeuw op een veiling van spullen van Hugo teruggevonden.
Door
de godsdiensttwisten tijdens het Twaalfjarig Bestand raakte De Groot
in ongenade bij Maurits. Hij werd uiteindelijk, tegelijk met Van
Oldenbarnevelt, in 1618 gearresteerd en veroordeeld tot levenslange
opsluiting in kasteel Loevestijn. In 1621 wist hij in zijn bekende
boekenkist te ontsnappen. Hij verbleef lange tijd in Frankrijk en werd
later ambassadeur voor Zweden in dat land. Van Frederik Hendrik kreeg
hij in 1631 gratie. Zijn beroemste werk is De Jure Belli uc Pacis
(Over het recht van oorlog en vrede) uit 1625. Dit boek vormt de basis
voor het moderne volkenrecht.
Er
is wel eens gezegd dat Hugo de Groot’s ‘Mare Liberum’ eigenlijk
een pleidooi was voor onbeperkt plunderen en vechten op zee. Het kon
dan ook niet uitblijven dat een aantal landen, Engeland voorop, van
mening waren dat wij te ver gingen. Zij waren zo jaloers op ons
succes, een succes dat zij zelf zagen als de oorzaak van hun eigen
problemen, dat dit met alle geweld de kop in gedrukt moest worden. Dit
leidde uiteindelijk in Engeland in 1651 tot de Acte van Navigatie. Een
wet die er op gericht was om de Republiek van iedere handel met
Engeland uit te sluiten.
DE
AKTE VAN NAVIGATIE.
De
wet had maar één specifiek doel en was gericht tegen één
specifieke situatie: het stoppen van de import van koloniale
producten en vis in Engeland met Nederlandse schepen. Verder moest
de wet een einde maken aan de invoer van Italiaanse ruwe zijde, Turkse
mohair, Spaanse producten, Griekse druiven, Napolitaanse olijfolie en
Canarische wijn van uit Hollandse entrepots naar Engeland. De
wet verbood het vervoer met Hollandse schepen van alle producten uit
zuidelijk Europa naar Engelse havens en stelde de net ontluikende
Hollandse handel met de nieuwe Engelse koloniën in het Caribische
gebied buiten de wet.
De
Acte van Navigatie veroorzaakte grote verontwaardiging in de
Nederlanden. Alhoewel de totale Hollandse handel en scheepvaart op en
in Engeland (wij deden ook een groot deel van de Engelse kustvaart)
slechts een gering deel van onze totale handel en scheepvaart was ging
het vooral om het principe van Mare Liberum. Het Engelse
voorstel betekende Mare Clausum en stond als zodanig haaks op
onze opvattingen en het fundament van de Republiek.
De
Acte van Navigatie was echter niet iets dat op zichzelf stond, het was
deel van een groter plan om de Republiek bij Engeland in te lijven.
Als de onderhandelingen met de Nederlanden niets op zouden leveren,
dan zou dit objectief met behulp van een oorlog als nog bereikt dienen
te worden.
Als
er verder niets gebeurd was hadden wij waarschijnlijk de schouders
opgehaald en waren verder gegaan. Het was natuurlijk een tegenvaller,
gezien de relatieve onbelangrijkheid van de scheepvaart en handel op
Engeland, echter niet onoverkomelijk. Met de Acte in de
hand begonnen de Engelse marine, en met kaperbrieven van de Engelse
regering gewapende particuliere schepen, een heksenjacht op
Nederlandse koopvaardijschepen. In 1651 werden niet minder dan 140
Nederlandse koopvaarders aangehouden en opgebracht, met als argument
overtreding van de Acte van Navigatie. De kapiteins werden beschuldigd
van het vervoeren van munitie en wapens naar Ierland en Schotland,
handelen met Engelse opstandelingen in het Caribische gebied en andere
soortgelijke voorwendselen. Ondanks herhaald protesteren van de
Staten-Generaal bij het Engelse Parlement gebeurde er niets. Voor de
Republiek werd de zaak nu zeer serieus, als wij er niet in zouden
slagen onze handel adequaat te beschermen zou onze positie als ’s
werelds grootste handelsnatie ondermijnd kunnen worden en daarmee het
fundament van onze welvaart.
Het was duidelijk: er was een oorlog op komst. De
Eerste Engelse Oorlog.
Terug
naar de vorige pagina
|