|
De
Slag in de Haven van Bergen
Oost-Indiëvaarders onder Pieter
de Bitter.
verjagen de Engelse oorlogsvloot in afwachting van
het konvooi van
luitenant-admiraal de Ruyter
Door Micheal Breet, naar een door hem geschreven boek over de Slag in
de Haven van Bergen, op 12 augustus 1665. Bibliotheek
Nr.: 118.
Op 23 december 1664
vertrekt van Batavia de retourvloot van de Oost-Indische Compagnie met
het vaderland als bestemming. Zij zal de geschiedenis ingaan als één
van de rijkst beladen vloten. De lading bestaat uit diamanten,
specerijen, zijden stoffen, chinees porselein en andere exotische
producten. De waarde daarvan wordt geschat op het voor die tijd enorme
bedrag van 11 miljoen gulden. Dertien schepen, waarvan sommige ‘zo
groot als kerken’, maken deel uit van de vloot; op het schip
Walcheren bevindt zich de bevelhebber, commandeur Pieter de Bitter. Op
de Rijzende Zon is de scheepschirurgijn Wouter Schouten aangemonsterd.
In 1658 was hij in dienst getreden van de VOC en hij zal daarna zeven
jaar lang onafgebroken rondzwerven in Indië, Ceylon en Bengalen. In
zijn in 1676 verschenen boek Oost-Indische voyagie beschrijft hij
uitvoerig zijn reiservaringen, waarvan zijn belevenissen in Bergen en
de nasleep van de slag een kleurrijk onderdeel vormen.
De
reis van de retourvloot voert eerst naar Kaap de Goede Hoop waar de
schepen van drinkwater en proviand worden voorzien. Op 10 april laat
het schip Zuid-Polsbroek op de rede het anker vallen. Het komt
rechtstreeks van Holland en van de bemanning horen ze dat Holland en
Engeland zich voorbereiden op een oorlog
Met
een bezwaard hart worden op 22 april de ankers gelicht voor de
thuisreis. Men besluit om achterlangs Engeland en Schotland te varen
teneinde de Engelse oorlogsvloot te ontlopen. Ter hoogte van de Golf
van Biskaje praaien ze een Frans vissersschip waarvan de schipper hen
bevestigt dat in het voorjaar de oorlog tussen Engeland en Holland was
uitgebroken. Ook zouden de Engelsen op alle Hollandse schepen loeren
en er al vele hebben buitgemaakt.
De
reis wordt vervolgd naar de zeestraat tussen de Fär-Øer en Shetland
Eilanden, het gebruikelijke rendez-vous waar de Hollandse oorlogsvloot
hen verder naar het vaderland zal konvooieren. Op 1 augustus komen zij
ter hoogte van de Fär-Öer en ontmoeten daar een Franse
walvisvaarder. Van een Nederlandse galjoot heeft de bemanning
gehoord dat het eskader van Michiel de Ruyter, na de WIC
vestigingen op de Engelsen te hebben heroverd, met een rijke buit naar
Holland was gezeild. De retourvloot krijgt nu te kampen met mist en
ongunstige winden en men besluit om voorlopig naar de Noorse kust uit
te wijken. Een Hollandse galjoot wacht hen hier op en overhandigt
instructies van de Hoogmogende Heren om zich naar het neutrale, in
Deens bezit zijnde, Bergen te begeven. Daar zal luitenant-admiraal de
Ruyter hen verder naar Holland konvooieren. Op 8 augustus komt de
retourvloot in de haven van Bergen ten anker. Daar blijken al meer dan
vijftig Hollandse kustvaarders te liggen, afkomstig uit de Levant en
West-Indië en eveneens in afwachting van het Hollandse konvooi.
Pieter de Bitter brengt een bezoek aan de gouverneur van Bergen,
Cicignon, die hem overtuigt van de neutraliteit van de havenstad
Bergen. Mochten de Engelsen hen trachten aan te vallen, dan zal hij
zonder meer steun aan de Hollanders verlenen. De volgende dag komt,
met veel geraas en vlagvertoon, een eskader van de Engelse
oorlogsvloot even buiten de haven ten anker.
 |
De
oudst bekende afbeelding van de baai van Bergen, uit 1580. |
Wat
had er zich inmiddels op de achtergrond afgespeeld? De Engelse gezant
in Kopenhagen had de Deense koning Frederik III overgehaald om de
rijke buit van de retourvloot en andere Hollandse koopvaarders samen
te delen. De koning voelde daar wel wat voor, want door de recente
oorlog met Zweden was zijn schatkist leeg en ofschoon de Hollanders
hem in die strijd tegen Zweden flink hadden geholpen, bleken de latere
Hollandse vredesvoorwaarden voor hem financieel zeer nadelig te zijn.
Daar Denemarken een bevriende bondgenoot van de Verenigde Provinciën
was, moest een en ander echter in ’t geheim gebeuren. Tegen een
Engelse aanval op de retourvloot zou de commandant in Bergen formeel
heftig protesteren maar men zou niet gewapenderhand ingrijpen. Zodra
de Engelsen de lading van de retourvloot en de kustvaarders aan land
hadden gebracht en de veroverde schepen weggesleept waren, zou de buit
worden verdeeld. Een koerier om deze geheime instructies aan Cicignon
te overhandigen, werd in allerijl op weg gestuurd.
Nadat
het Engelse eskader op 11 augustus buiten de haven ten anker is
gekomen, begint de commandant, Thomas Teddiman, te onderhandelen met
Cicignon en de generaal van het Noorse garnizoen Klaus Ahlefeldt, in
de veronderstelling verkerend dat zij de geheime opdracht uit
Kopenhagen reeds hebben ontvangen. Dit blijkt echter niet het geval te
zijn. De koerier zal pas op 16 augustus in Bergen aankomen. De
onbesuisde Teddiman, overtuigd van een snelle verovering van de
Hollandse vloot, en in de mening verkerend dat de Noren zich wel
afzijdig zullen houden, besluit niet langer te wachten. Hij brengt een
aantal van zijn schepen binnen de haven, en begint deze, op een
musketschot afstand van de retourvloot, halvemaanvormig op te stellen.
Pieter de Bitter ziet geen andere mogelijkheid dan om zich zo goed
mogelijk te verdedigen. Ook hij formeert de sterkste schepen van zijn
vloot in de vorm van een halve maan, en brengt zoveel mogelijk
kanonnen aan de naar de vijand gerichte zijde. Om de Noorse vestingen
te versterken laat hij 30 kanonnen aan de wal brengen en 100 man om
deze te bedienen. Op 12 augustus, 6 uur in de ochtend,
begint Teddiman de strijd. Zijn salvo wordt door de Hollanders
onmiddellijk beantwoord en de ene salvo na de andere weerklinkt in de
haven. Hoewel de Noren zich aanvankelijk afzijdig houden, besluiten ze
later toch in te grijpen, daar het Engelse kanonvuur in de vesting van
Bergen vier doden heeft veroorzaakt. De gezamenlijke verdediging van
Hollanders èn Noren, maar vooral de aflandige wind waardoor de
Engelsen geen gebruik kunnen maken van ‘branders’ en te kampen
kregen met een voor hun het zicht benemende rookgordijn (later
kleurrijk beschreven als: wy roockten den Salpeter haer in de
smoel, datter veel dood geeuwden) maken dat na een 3 ½ uur
durende strijd de Engelsen in wanorde op de vlucht slaan. Zij tellen
meer dan 500 doden en gekwetsten; aan Nederlandse zijde heeft men 25
doden en 75 gewonden te betreuren.
Is de
opluchting over het overhaaste vertrek van de vijand groot, men is
terecht bevreesd dat de Engelsen het nog een keer zullen proberen. In
afwachting daarvan begint men de Noorse vestingen te versterken.
Daartoe worden nog eens 40 kanonnen uit de Hollandse schepen gelicht
en aan land gebracht. Een zware ketting wordt dwars in de haven
aangebracht om branders te weren. Maar intussen heeft Cicignon de
geheime instructies uit Kopenhagen ontvangen waardoor zijn
aanvankelijk vriendschappelijke houding tegenover de Hollanders
merkbaar verkoelt. In het geheim knoopt hij opnieuw onderhandelingen
aan met Teddiman, die zich met zijn gehavende vloot op een paar mijl
buiten Bergen heeft begeven. Maar de Engelsen worden het niet eens
over de voorwaarden en komen niet meer terug. Hun schepen zijn ook te
zwaar beschadigd en het animo van de bemanning om nog een keer een
bloedige strijd aan te gaan ontbreekt. Daar komt nog bij dat ontvangen
inlichtingen duiden op het naderen van de vloot van De Ruyter tegen
wie Teddiman het in zijn deplorabele toestand zeker zou afleggen.
Daarom besluit hij met zijn eskader terug te keren naar de hoofdmacht
van de Engelse oorlogsvloot, die bij Flamborough Head gaande houdt. Op
zondag 30 augustus komt dan eindelijk de langverwachte oorlogsvloot
van De Ruyter.
Op 6
augustus was De Ruyter van een lange reis teruggekomen in Delfzijl.
Het nieuws van zijn aankomst aldaar verspreidde zich razendsnel en gaf
nieuwe moed aan het Nederlandse volk waarvan de nederlaag van de Slag
bij Lowestoft nog vers in het geheugen lag. Onmiddellijk nam de
raadspensionaris, Johan de Witt, contact met hem op en benoemde hem in
de functie van luitenant-admiraal tot opperbevelhebber van de Staatse
oorlogsvloot. De Witt had persoonlijk zorg gedragen voor een snelle
uitbreiding van deze
vloot, die nu ook over zeer grote fregatten kon beschikken. Op 18
augustus zette De Ruyter met zijn goed bewapende vloot van bijna 90
oorlogsschepen koers naar Noorwegen. Onderweg hoopte hij op een
treffen met de Engelse oorlogsvloot, maar hij kreeg deze niet te zien.
Op 30
augustus arriveert De Ruyter voor de vaarwaters die leiden naar de
Hanzestad Bergen. Buitengaats blijvend, verzamelt hij alle Hollandse
schepen en een week later wordt met in totaal 190 schepen de thuisreis
begonnen. Men waant zich met een dergelijke enorme vloot
onoverwinnelijk, maar plotseling opstekende stormen, die meer dan twee
dagen zouden aanhouden, drijven de vloot uiteen. De Ruyter probeert
nog zo lang mogelijk verdwaalde schepen op te sporen maar hij krijgt
ze niet te zien. Daarom besluit hij met de veertig schepen die hij
zelf nog bijeen heeft kunnen houden, koers te zetten naar Texel, waar
hij op 17 september zal aankomen. De Engelsen zien intussen kans om
nog een flink aantal schepen te veroveren, waaronder twee kapitale
retourschepen. Het schip van de chirurgijn Wouter Schouten zal,
terwijl het de kust van Texel al zag opdoemen, door de vijand worden
opgejaagd en naar Kopenhagen moeten vluchten. Daar treft de uitgeputte
bemanning een klein eskader van de Hollandse oorlogsvloot aan, onder
commando van schout-bij-nacht Stachhouwer.
Met nog 22 andere koopvaarders gaat het konvooi naar het
vaderland waar zij op 9 oktober aankomen.
Terug
naar de vorige pagina
|