§ . Links . §


CHATHAM.
Maandag 20 - vrijdag 24 juni 1667 (10th - 14th June 1667)
A. van der Moer.

Dit verslag is een kort uittreksel door A. van der Moer van het boek "Dese Aengenaeme Tocht". In dit boek beschrijven hij en C.J.W. van Waning, beide marine-officieren, de vlootbewegingen van de Ruyter's vloot aan de hand van de wind en de getijde-bewegingen zoals die op het moment van de operatie zich voordeden. In dit uittreksel is het oordeel van de zeeman duidelijk waarneembaar. Vice-admiraal A. van der Moer sloot zijn actieve marine loopbaan af in dezelfde functie die de Ruyter in de 17e eeuw bekleedde.
D.m.v. de link English Version krijgt men inzicht in de wijze waarop Engelse historici de gebeurtenissen van die tijd van dag tot dag beschrijven. "Dese Aengenaeme Tocht" en dit uittreksel bieden een uitstekend tegenwicht van Nederlandse zijde.
Aangezien in Groot Brittanië in de 17e eeuw de Juliaanse kalender nog van kracht was, en op het continent de Gregoriaanse kalender al algemeen werd gebruikt, zijn de Engelse data tussen haakjes achter de overeenkomstige Nederlandse data gegeven.
Hier en daar in de tekst komen links voor die naar aanvullende informatie over het aldaar beschreven onderwerp verwijzen. 
(de 'links' tussen haakjes, in de Engelse taal, verwijzen naar de beschrijving van die gebeurtenis door Engelse historici)

De Tocht naar Chatham.  (The Dutch in the Medway)

Geheime opdracht.
Op 6 juni 1667 (27th May) vertrok 's Lands vloot onder bevel van luitenant-admiraal De Ruyter van de rede van Texel naar zee. In Breda waren de vredesonderhandelingen ter beëindiging van de Tweede Engelse Oorlog (1665-1667) al gaande. Raadpensionaris Johan De Witt (1625-1672) was erop gebrand die onderhandelingen ten voordele van de Republiek te beïnvloeden door de Engelsen onder druk te zetten. Omdat Koning Karel II de Royal Navy na de winterrust goeddeels opgelegd had gelaten bestonden goede kansen voor succesvol optreden van 's Lands vloot, die juist versterkt in de vaart werd gebracht. Zij kreeg dan ook een bijzondere opdracht.

Detail: In de staatsiesloep M.A. de Ruyter, Cornelis de Witt
Jozef Bar. van Ghendt.
De Ruyter gaat op 6 juni 1667 aan boord van de 
"Zeven Provinciën"  liggende op de rede van Texel. 

E, Koster, 1857
Particulier bezit, Mw. L. de Ruyter de Wildt
recent gerestaureerd door 
Restauratieatelier Amsterdam SKRA

 

In de gewone instructie van de Staten-Generaal, die de opperbevelhebber en de Gedeputeerde van de heren Hoog Mogenden, de aan boord van het vlaggenschip ingescheepte broer van de raadpensionaris Cornelis De Witt (1623-1672) werd verstrekt, stond over die bijzondere opdracht niets vermeld, Wél veel over de eventuele vereniging van onze vloot met de bondgenootschappelijke Franse, waarvan echter niets terecht zou komen. De speciale opdracht was opgenomen in een afzonderlijke "secrete resolutie", die alleen aan de opperbevelhebber en de Gedeputeerde bekend was, en die een plan behelsde om de vijand in eigen binnenwateren te bestoken door schepen, magazijnen en voorraden op en langs de Theems en de Medway te verbranden of anderszins te vernietigen. De ondergeschikte vlagofficieren en de kapiteins werden pas buitengaats ingelicht en de Staten-Generaal eerst op 28 juni (18th June) toen alles al voorbij was.

In zee werd 's Lands vloot nog met schepen, voorraden en landingstroepen versterkt. Op 13 juni (3rd June) lagen 60 schepen en veertien branders op het Schooneveld, het zeegebied bewesten Walcheren en de Vlaamse kust, ingedeeld in drie eskaders onder de drie luitenant-admiraals De Ruyter, Aert Van Nes (1626-1693) en Willem Joseph baron Van Ghent (1625-1672). Er waren ook ingehuurde koopvaarders met voorraden en troepen, mariniers en soldaten. 
De op 14 juni (4th June) begonnen oversteek ging door kwaad weer gepaard met vertraging, averij en verstrooiing, maar de 17e (7th June) kwam de vloot toch geleidelijk aan ten anker voor de Theemsmonding, buiten het Koningsdiep.
(King's Channel, Kaart I.)

Kaart I

King's Channel.

In de krijgsraad aan boord van "De Zeven Provinciën" werd de geheime instructie bekend gemaakt en overlegd hoe die kon worden uitgevoerd. Besloten werd voor de actie op de rivieren een speciaal eskader samen te stellen, bestaande uit zeventien lichte schepen, vijf jachten, vier branders en een aantal galjoten en sloepen, alsmede een munitievoorraadschip. Tot bevelhebber werd Van Ghent aangewezen.
Hij had als legerofficier op de vloot gediend en was commandant van het op 10 december 1665 opgerichte Korps Mariniers geworden. Sindsdien had hij ook als kapitein en als vlagofficier gevaren. Ofschoon natuurlijk geen ervaren zeeman was hij bij uitstek deskundig in landings- en waloperaties.

Van een uit Londen komende Noorse schipper werd vernomen dat bij Tilbury en Gravesend (Kaart II) tien of twaalf fregatten en twintig koopvaarders lagen, een aanlokkelijk doel voor de eerste actie.

(The Dutch in the Medway)

Kaart II.



THEEMS tot Gravesend en Medway tot Rochester.

Aan boord van het vlaggenschip van het speciale eskader, 's Lands fregat "Agatha", scheepte ook De Witt zich in. Over de schepen werden 1000 mariniers en soldaten verdeeld. Omdat er een harde zuidwestenwind stond moest voorlopig een betere gelegenheid worden afgewacht. Die deed zich voor op de achtermiddag van zondag 19 juni (Sunday 9th June), toen de wind noordoost werd. Blijkbaar was die weersomslag verwacht want het eskader-Van Ghent was 's morgens kort na zonsopkomst al onder zeil gegaan.

Getijden.
Om een goed inzicht in de met deze vlootbeweging in gang gezette gebeurtenissen te krijgen moet men zich realiseren dat het bevaren van min of meer onbekende, smalle, bochtige vaarwaters vol ondiepten en onbekende hindernissen met moeilijk manoeuvreerbare vierkant getuigde zeilschepen een zeer zware opgave was. Bovendien moest actie worden gevoerd, waarbij op tegenstand te rekenen viel. Dat windrichting en -sterkte daarbij een grote rol speelden is wel duidelijk, maar er was nog een hoofdfactor in het spel, namelijk het getij, de getijstromen en de verticale getijbeweging.

In de Noordzee heerst een dubbeldaags getij; dat komt er ruwweg op neer dat het water twee keer per etmaal een hoogste (HW) en een laagste (LW) stand bereikt en dat de getijstromen twee keer van richting omkeren. Van LW tot HW rijst of wast het water. Men zegt ook wel dat het tijdens de vloed opkomt. Van HW tot LW valt of zakt het. Het afgaand tij is de ebstroom. De tijdstippen van opeenvolgende HW's en LW's liggen ongeveer een halve "maandag" na elkaar. De waterstanden bij HW en LW vertonen een periodiciteit, ongeveer overeenkomend met het tijdsverloop tussen volle en nieuwe maan. Die getijverschijnselen hangen samen met de maan en de zon en de stand van die hemellichamen ten opzichte van elkaar. Het verschil in waterhoogte tussen HW en LW heet verval. Het grootste verval komt voor bij springtij, het kleinste bij doodtij. Springtij valt enkele dagen na VM en NM.

Om de invloed van het getij op de operaties tijdens de Tocht naar Chatham te illustreren zijn de zogenaamde getijkrommen van de betreffende dagen berekend. Die geven de verticale getijbeweging met als ingang de tijd. De opgaande curve hangt samen met vloed, inkomend, rijzend, opkomend, wassend water en de neergaande lijn met eb, uitgaand tij, vallend water. De gebeurtenissen zijn bij de getijkrommen aangegeven.

Zondag 19 juni (Sunday 9th June).

Toen het eskader-Van Ghent onder zeil ging was de wind nog zuidwest. De schepen moesten tegen de wind opwerken (laveren) om door het Koningsdiep verder naar binnen te komen. Daarbij kregen ze hulp van de zogenaamde voorvloed en al gauw van het allengs sterker wordend inkomend tij. Daarvan profiteerde ook de rest van de vloot, het gros dat drie uur later onder zeil ging. Met de vloedstroom kwam het eskader-Van Ghent tot waar op Kaart I het scheepje staat ingetekend, het gros een eind verder naar buiten. Beide scheepsmachten kwamen bij de stroomkentering ten anker om tijdens de uitgaande ebstroom "tij te stoppen". Met laveren tijdens tegenstroom was het namelijk onmogelijk om te vorderen. 

Om vijf uur 's middags, bij "stil van laag" gingen de vloten weer onder zeil. Omdat de wind inmiddels noordoost was geworden waren Koningsdiep en Theems nu "bezeild", (= zonder laveren te bevaren).

Om vier uur 's middags was het eskader-Van Ghent verkend door het Engelse jacht "Henrietta". De op de Medway commanderende Engelse vlagofficier nam direct maatregelen om het fort Sheerness te versterken, terwijl het Engelse koningsschip "Monmouth" hogerop de rivier in veiligheid werd gebracht. 's Avonds bij "stil van laag" kwam het eskader-Van Ghent ten anker bij Holhaven en het gros ten oosten van de Middle Sands. Van Ghent had gehoopt de door de Noor gemelde schepen die avond te kunnen aantasten maar omdat er weinig wind stond kon hij die niet tijdig voor het doorzetten van het uitgaand tij bereiken. De Engelsen, die het eskader de Theems hadden zien opvaren maakten gebruik van de luttele donkere uren om de bedreigde schepen hogerop te brengen. Bij zonsopkomst was er niet één meer te bekennen. De opzet was mislukt.

Aan boord van de "Agatha"  werd langdurig gedelibereerd over de vraag wat nu te doen. Tenslotte werd besloten de actie naar de Medway te verleggen, maar toen was het al te laat om die nacht het uitgaand tij te gebruiken.

Maandag 20 juni. (Monday 10th June)
Pas op maandagmiddag kwam het eskader-Van Ghent weer in beweging. De vertraging gaf de Engelsen de indruk dat Van Ghent het gros inwachtte om samen richting Londen te gaan. Er ontstond paniek en de aandacht werd van het hoofddoel 
- de Medway - afgeleid. Het gros was blijven liggen. Wel zond admiraal De Ruyter tien schepen en twee branders onder bevel van vice-admiraal Enno Doedes Star (1631-1707) ter versterking van het speciale eskader. Star ging 's ochtends vroeg onder zeil en kwam op de voormiddag ten anker bij de Nore.

      

Om drie uur 's middags vertrok kapitein Jan Van Brakel (ca. 1640-1690) met drie schepen, waaronder zijn eigen "De Vreede" van Holhaven om met uitgaand tij de rivier af te zakken. Om vijf uur kwam hij dicht onder de wal van het eiland Sheppey om het fort Sheerness anderhalf uur lang te beschieten. Het uitgaand tij was nog maar zwak en met de noordoostenwind was het gemakkelijk op te vangen om in de juiste positie te blijven.

Bij het fort lagen enkele Engelse schepen. Na het bombardement ging Van Brakel langszij van een logementsschip, dat in brand werd gestoken. De rest van het eskader-Van Ghent, inmiddels ook onder zeil, kwam dichterbij en die aanblik werd de bemanning van het koningsschip Unity te machtig: de ankerkabels werden gekapt en het schip ging met ingaand tij de rivier op. Er werden landingstroepen aan wal gezet en de bezetting van Sheerness koos het hazenpad. 's Avonds en 's nachts bezetten 800 mariniers en soldaten het fort. Bij dagworden werd een tegenaanval van de Engelse troepen met assistentie van het scheepsgeschut afgeslagen.

Onze troepen zwermden uit over Sheppey.Bij Queenborough werd een hoeveelheid geschut, rondhouten en andere voorraden buitgemaakt, deels aan boord gebracht en de rest vernietigd. Ook werd voedsel in beslag genomen - de volgende dag stond schapenbout op het menu! - maar nauwelijks geplunderd. Dat was op hoog bevel, maar in het licht van de verontwaardiging over de aanslag op West-Terschelling, dat in augustus 1666 was geplunderd en verbrand (Holme's Bonfire), een blijk van goede tucht.
Dinsdag 21 juni. (Tuesday 11th June).

      

De schepen, die volgens verkregen inlichtingen op de Medway zouden liggen, waren in de verte te zien. Wind en weer begunstigden de voortzetting der operaties hogerop.
Onze bevelhebbers wisten niet dat de Engelse verdediging weinig voorstelde en oordeelden dat blijvende bezetting teveel troepen en schepen zou binden, zodat werd besloten het fort te vernietigen en te ontruimen.

's Ochtends werden twee jachten uitgezonden, die het vaarwater met het ingaand tij moesten gaan verkennen en oploden. Op de achtermiddag kwamen zij met de ebstroom mee terug en brachten nuttige berichten over de diepten in het vaarwater en nader nieuws omtrent de positie der Engelse schepen. Omstreeks deze tijd brachten de Engelsen nabij de Mosselbank enkele schepen tot zinken ter versperring van het vaarwater. In de avond werden met de vloedstroom vier schepen, drie jachten en twee branders uitgezonden. Deze voorhoede stond onder bevel van vice-admiraal Jan De Liefde (1618/9-1673). Gedurende de nacht verwijderde zijn smaldeel enkele blokschepen uit de versperring bij de Mosselbank, zodat doorvaart mogelijk werd.

Admiraal De Ruyter ontving op de achtermiddag een brief van De Witt met het nieuws over de actie bij Sheerness en het verzoek met het gros door te zeilen tot Queenborough en vandaar de Theems te blokkeren. De admiraal reageerde door met het grootste deel van zijn vloot met de avondvloed verder naar binnen te varen om, na tijdens het tegentij ten anker te hebben gelegen, in de ochtend van de 22ste (12th June) bij de Nore te ankeren.

Woensdag 22 juni. (Wednesday 12th June)
De admiral ging met een sloep naar de "Groeningen", het vlaggenschip van Star. Deze had een brief van De Witt ontvangen met de opdracht de Medway op te varen en ook om aan admiraal De Ruyter mede te delen, dat de Gedeputeerde hem dringend opriep zich "met syn persoon" bij hem te vervoegen om te beraadslagen over een zaak van gewicht. Waarover dat ging wordt niet vermeld, maar het is aannemelijk dat De Witt bij nader inzien de komende operaties niet onder bevel van Van Ghent maar onder dat van de opperbevelhebber zelf wilde laten uitvoeren. In een brief aan zijn broer, tijdens het opvaren van de rivier geschreven, liet hij zich nogal pessimistisch uit. Ofschoon de admiraal zich niet zo goed voelde ging hij per sloep verder de rivier op.

De Engelse verdediging was zwak. De versperring bij Gillingham was nagenoeg onverdedigd. Alleen de van Sheerness opgebrachte "Monmouth" had voldoende munitie. Het personeel van de Chatham-werf had zich met gebruikmaking van het grootste deel van de dertig ter verdediging bijeengebrachte kleine vaartuigen hogerop in veiligheid gebracht. Wel waren enkele walbatterijen en Upnor Castle in staat van verdediging gebracht.
"Upnor Castle."


Op dinsdagavond waren de laatste landgangers ingescheept. Toen bleek dat, zij het op bescheiden schaal, toch was geplunderd ontstak De Witt in woede. Zijn broer had gehoopt een opstand tegen de Koning te ontketenen en overlast aan de bevolking zou natuurlijk averechts werken. Kapitein Van Brakel, wiens volk van "De Vreede" aan die plundering schuldig was, betaalde het gelag: hij werd ontheven van zijn bevel en kreeg arrest aan boord van de "Agatha".

     


Op de voormiddag van de 22ste (12th June) voer het eskader-Van Ghent samen met de voorhoede door naar de versperring bij Gillingham. Deze wordt in de literatuur aangeduid als de "ketting", maar een enkele over de rivier gespannen ketting vormt een te eenvoudige voorstelling van zaken. De versperring bestond uit een samenstel van palen, trossen, vlotten en kettingen. Nabij die versperring liet Van Ghent de rode vlag hijsen: algemene aanval. De voorhoede raakte met de bewakingsschepen in gevecht, de walbatterijen begonnen te vuren en er was ook Engels musketvuur van de wal. Bij de onzen ontstond nu weifeling en naar het scheen wachtte de leiding passief af.

Plotseling verschijnt een reddende engel in de persoon van Jan Van Brakel. Hij bood aan met "De Vreede" en een stel branders de "Unity", beneden de versperring gelegen, aan te tasten en het obstakel te forceren. Zijn aanbod werd aanvaard. Van Brakel keerde naar zijn achteraan liggend schip terug en tegen twaalven zeilde hij de vloot voorbij. Het was hoog tijd, want bij doorzettend uitgaand tij zou de onderneming al gauw onmogelijk worden.

Nu ging het opeens vlug. Noodgedwongen waren de Engelsen zuinig met hun munitie, maar de naderende "De Vreede" werd van alle kanten beschoten. Van Brakel begon echter pas vlak bij de "Unity" te vuren. Hij voer langszij, het schip werd geënterd en genomen. De branders volgden "De Vreede", de brander de "Suzanna"  deinsde terug, maar de "Pro Patria" brak door en legde de "Matthias" aan boord, welk schip in brand en in de lucht vloog. Sloepen zetten troepen aan wal. De "Carolus Quintus" werd in brand gestoken door twee branders, die zelf ook verloren gingen.

Allengs sloeg de verdedigers de schrik in de benen. De "Monmouth" ging andermaal hogerop. De gestrande "Sancta Maria" werd verlaten aangetroffen en verbrand.  
De "Royal Charles",
het trotse vlaggenschip van de de Royal Navy, werd zonder veel tegenweer overmeesterd. Het verhaal gaat dat de vlag werd neergehaald onder het zingen van het lied: 'Johanna's rokje is gescheurd'!

Tegen tweeën begon het uitgaand tij de voortgang te bemoeilijken. Bovendien was het rak naar Upnor Castle niet meer voor of van de wind, maar op zijn best halverwind. Dit bracht mee dat eventuele verdere acties tot de volgende dag moesten worden uitgesteld.

Na afloop van deze succesvolle operaties kwam admiraal De Ruyter met zijn sloep op de "Agatha" aan. Hij ging met De Witt naar "De Vreede" om Van Brakel te complimenteren. Om twee uur 's middags schreef de Gedeputeerde in de kajuit van de "Royal Charles" een triomfantelijke brief aan zijn broer. Hij was al zijn twijfels kwijt en weer vol goede moed!

Een zwarte dag voor Engeland, die 22ste juni (12th June) 1667! En nog was het einde niet. De verdere dag werd besteed aan de voorbereidingen voor de laatste klap. De admiraal en de Gedeputeerde verbleven op de "Bescherming", het vlaggenschip van De Liefde. In de krijgsraad werden de plannen zorgvuldig beraamd en op schrift gesteld. (Van dit schip "de Bescherming" - ook wel "de Beschermer" genoemd, bestaat een model in het diorama van de Rede van Texel in het museum te Den Oever.)
De admiraal verstrekte de kapiteins van de vier lichte schepen en drie jachten en de brandercommandeurs, die bij de aanvalsmacht werden ingedeeld, geschreven orders.
De schepen moesten de branders begeleiden tot Upnor Castle maar daar niet voorbijvaren. De ingedeelde scheepscommandanten werden voor de actie toegesproken en vermaand zich ten dienste van het vaderland naar behoren kloekmoedig en gelijk dappere krijgslieden betaamt te kwijten. De biograaf van admiraal De Ruyter, Gerard Brandt, schrijft: "Dit beloofden ze en quaamen 't na"

Donderdag 23 juni (Thursday 13th June).
Omtrent "zuiderzon" (twaalf uur) ging de aanvalsmacht met het restje vloedstroom onder zeil. Bij HW en stil van hoog bereikten zij het kasteel, dat zwaar werd beschoten. Het vuurde terug, evenals een batterij aan de overkant. Onder dekking van het bombardement passeerden de branders. De admiraal en de Gedeputeerde voeren in een sloep met de aanvallers mee. Er werden vijf branders "besteed", waarbij drie grote schepen, de "Royal Oak", de "Loyal London" en de "Royal James" in brand raakten. De "Monmouth" bracht zich ten derden male hogerop in veiligheid. Toen het uitgaand tij om 3 uur ging doorstaan trokken de onzen zich terug op Gillingham.

      


Na al deze successen was de verleiding groot om door te gaan. Er lagen nog meer schepen en de werf was ongedeerd. Men is voor die verleiding niet bezweken. Waarom? In de eerste plaats werd de rivier hogerop steeds smaller, bochtiger en ondieper. Er waren allerlei onbekende obstakels, zoals zinkschepen. Er waren bovendien tekenen dat de verdediging doelmatiger zou worden. Hoe hoger men kwam hoe moeilijker werd de terugtocht. Bij doorstaande noordoostenwind kon die uitsluitend met behulp van het uitgaand tij plaatsvinden, onderbroken door lange ankerperioden om het tij te stoppen. Bijna alle branders waren besteed. Deze en nog meer overwegingen gaven de admiraal de overtuiging dat het tijd werd om de actie af te breken. Cornelis De Witt heeft zich laten overtuigen.

Vrijdag 24 juni. (Friday 14th June).
Het eerste deel van de nacht bleven de schepen bij Gillingham liggen. Met kleine landingsoperaties werden nog vernielingen aangericht en verder werd klarigheid gemaakt voor vertrek. In de kleine uren van vrijdag de 24ste (Friday 14th) werden de ankers gelicht om met de ebstroom de rivier af te zakken. Dit moest heel omzichtig gebeuren, want als een schip geboeid raakte bestond grote kans dat het vallende water zou dwingen tot het afwachten van hert volgende tij. Dat overkwam diverse schepen, één ervan, de "Harderwijk" van kapitein Jan Van Gelder, de stiefzoon van de admiraal. Hij trof het slecht want deze had zich juist bij hem ingescheept. "De Harderwijk" kwam op de achtermiddag weer vlot en vorderde tot de Mosselbank, waar de admiraal en De Witt overstapten in een sloep, waarmee zij 's avonds terugkeerden aan boord van "de Zeven Provinciën", nu ten anker bij Queenborough.

     


De genomen prijzen, de "Royal Charles" en de "Unity" werden in triomf meegevoerd.
Engelse wapen op de spiegel van de 
"Royal Charles".

(Rijksmuseum, Amsterdam)


Resultaten en gevolgen. (Aftermath)
De Tocht naar Chatham kostte de Engelsen behalve de twee meegenomen prijzen zes verbrande kapitale oorlogsschepen en talrijke door henzelf tot zinken gebrachte oorlogsvaartuigen en koopvaarders, als blokschip of bij wijze van veiligheidsmaatregel. Voorts een hoeveelheid geschut, rondhouten en voorraden. De Nederlandse verliezen bleven beperkt tot een aantal, meest wélbestede branders en enkele tientallen gesneuvelden. Het was een geweldige klap. 

De Engelse historicus professor Boxer vergelijkt de Tocht naar Chatham (The Medway Raid) met de val van Singapore in 1942.

"Gantsch Engelandt stondt als voor 't hoofd geslaagen over dit manhaftig bestaan" 't ontstelde de grooten en 't verbaasde de kleenen. Geheel Londen was vol schriks en men vreesde voor nog zwaarder rampen." Zo beschrijft Brandt de Engelse reactie.

's Lands vloot bleef nog enige tijd in de Britse wateren en voerde hier en daar op de kust kleinere acties uit. Daaromtrent deden allerlei berichten de ronde en er waren zoveel geruchten over landingen dat de Engelse admiraliteitsambtenaar Samuel Pepys
in zijn beroemde dagboek de verzuchting van een lid dier Engelse admiraliteit citeert: "By God, I think the Devil shits Dutchmen!"
 

In Nederland, schrijft Brandt, werden de harten vervuld met "onuitspreeckelyke blydtschap". Duizenden stroomden naar Hellevoetsluis om daar de onder geleide van Jan Van Brakel aangekomen "Royal Charles"  te bezichtigen. Voor de zesde juli werd een nationale dank- en bededag uitgeschreven. De deelnemers vielen complimenten beloningen ten deel. Cornelis De Witt en de admiraals De Ruyter en Van Ghent een "goude kop ...... daer op het voorschreve exploict en de verkreege victorie ten besten uitgebeelt zy" van de Staten van Holland. Brandt: "Dus quam onze Zeehelt De Ruiter weêr t'huis met een dubbele heldenkroon, met den laurier der overwinning, en met den olyf der bevochte vreede."
De gouden bokaal die de Staaten Generaal aan de Ruyter schonken voor zijn prestatie tijdens de 
"Tocht naar Chatham"

Rijksmuseum, Amsterdam.

Tenslotte het gewenste politieke resultaat: de Engelse onderhandelaars in Breda werden op slag veel soepeler en op 31 juli 1667 (21st July) werd de vrede getekend.


                                                                                                             Terug naar de vorige pagina