§ . Links . §

 

 


DE STUURMAN VAN DE GROENE LEEUW


In 1614 ontdekte Jan Jacobsz May bij toeval een vulkaaneiland ongeveer midden tussen Spitsbergen en Groenland. Hij trof daar grote scholen van de Groenlandse walvis aan en daar was hij wel naar op zoek, tussen 1614 en 1650 behoorde dit eiland, dat door geen ander land geclaimd werd, min of meer tot Nederland. en de Noordsche Compagnie, - een soort VOC voor de walvisvaart in de poolzeeën – verdreef in 1632 de Basken, die in opdracht van de Denen walvissen vingen, Hierdoor verkreeg Nederland het monopolie over de walvisvangst rond het eiland. Er werden nederzettingen, gebouwd met uit Nederland in ballast meegenomen bakstenen. De gebouwen waren in de zomer bemand en men verwerkte er de geschoten walvissen tot traan. 

Walvisjagers op 
Jan Mayen-eiland.

Veel op het eiland, herinnert nog aan die Nederlandse bezetting, De vulkaan heet de Beerenberg, en andere geografische benamingen zijn: De Walrusbaai, en de Maria Musch-baai (Een 17e-eeuwse reder van walvisvaarders), terwijl een uit rotsblokken gebouwde toren door zijn gelijkenis met de kerktoren van den Briel, de Brielse Toren heet. 

In 1633 voer de Ruyter als stuurman op de “Groene Leeuw” onder kapitein Jochem Jansen van uit Vlissingen in 21 dagen naar Jan Mayen-eiland. Waarschijnlijk had hij daarvoor ook al tochten naar dat gebied gemaakt als matroos en bootsman, maar in 1633 – 26 jaar oud - voer hij voor het eerst “achter de mast”, dus als officier. Voor zover bekend (journalen) is de Ruyter alleen bij het Jan Mayen eiland geweest, en niet op Spitsbergen.
In dat vangstseizoen werden ca 25 walvissen gevangen en afgeleverd aan de traankokerijen aan de wal. De Noordsche Compagnie had dat jaar besloten dat men een poging tot overwintering zou ondernemen om de gebouwen en andere bezittingen te beschermen tegen plundering door rivaliserende walvisvaarders. Er staat op het eiland nog een monument ter nagedachtenis van een groep van 7 man onder kapitein Outger Jacobsz. van Grootebroek die er in de winter van 1633/34 vergeefs probeerden te overwinteren. Zij stierven allen aan scheurbuik en andere ontberingen. Gelukkig behoorde de Ruyter niet tot die groep. Hij voer terug naar Nederland en maakte in 1634 en 1635 nogmaals expedities naar Jan Mayen. In dat laatste jaar werd het schip door zware ijsgang ingesloten en slechts met veel moeite en geluk “Op Godt’s Ghenade” werd de open zee bereikt. De vangst was dat jaar slecht. De walvisvaart was betrekkelijk goed georganiseerd. Zo kon men o.a. post ontvangen uit het vaderland “dat tuys nogh al wel was……” 1635 was een slecht vangstseizoen en de Ruyter nam nadat jaar nooit meer deel aan expedities naar de poolzeeën 

Na 1650 zijn de walvissen rond het eiland uitgeroeid en trekt de Noodsche Compagnie zich terug van het eiland. Hiermee kwam een einde aan de enige “kolonie” die Nederland ooit in de poolstreken had. In 1929 werd het eiland door Noorwegen geannexeerd. 

 

 

 

Terug naar de vorige pagina.