![]() |
![]() |
|||
|
In
1644 deed zich een belangrijke mijlpaal in het leven van De Ruyter voor.
Hij voer voor het eerst als schipper/(mede)eigenaar, en wel van "De
Salamander". Hij
heeft er acht jaar mee gevaren, meest op Barbarije en West-Indië en dat
schip werd het toneel van de vele anekdotes en stoute stukjes die
De eerste reis kwam het schip op 1 februari ter rede van Salee in Marokko. De schipper ging zelf naar de wal om met de plaatselijke autoriteiten en kooplieden te onderhandelen. Hij kon er goede zaken doen en na een paar weken ging hij naar Safi, waar hij minder succes boekte zodat hij doorvoer naar Santa Cruz, nu Agadir. Na een bezoek aan de plaatselijke gouverneur - in het journaal: "Allekaeyder" (El Ka-Id) genoemd - ging de schipper met een plaatselijke joodse handelsman van Franse of Waalse afkomst, die hij aan boord had, te paard drie dagreizen het binnenland in, om handel te drijven met de maraboet Sidi Ali ben Mohammed ben Moussa in Ilegh. Deze, een min of meer onafhankelijke vorst, was ook geestelijk leider en wordt in het journaal "Sant" genoemd. De ontvangst was vriendelijk en leidde tot "goede coopmanschap" Bijna de gehele nog niet verkochte lading tabak, katoen en buskruit werd, grotendeels op monster, tegen goud, was en bokkevellen verkocht. Bij deze handel deed zich een incident voor. De koopman-schipper hjield aan de bedongen prijs vast, maar zei - volgens zijn journaal, om erger te ontgaan - dat hij het laken wél aan de Sant wilde schenken. De maraboet ontstak in woede en dreigde het hele schip in beslag te laten nemen. De schipper repliceerde dat in dat geval de Hollandse en andere kooplieden hem niet meer zouden vertrouwen. Tenslotte verloor ook hij zijn geduld en hij riep uit: "Was ik in myn Schip, gy zoudt my niet meer dreigen!" woedend verliet de Sant het vertrek, maar hij zei tegen zijn eigen mensen: "Is 't niet jammer dat zulk een man een Christen is?" Na onze mensen een paar uur lang in spanning te hebben gelaten kwam de Sant terug en herhaalde zijn aanbod, dat dezelfde reactie uitlokte. Toen was hij zo onder de indruk gekomen van de standvastigheid van de schipper en diens trouw aan zijn opdrachtgevers dat de Sant hem zijn eigen mensen tot voorbeeld stelde. Hij sloot zijn gast in het hart ten teken waarvan hij de hand bij elkaar op de blote borst legde, het begin van een vriendschap die de schipper, en latere admiraal De Ruyter nog jaren lang een bevoorrechte positie en veel voordeel opleverde. Bij het afscheid werden vijf Hollandse slaven losgekocht. Zij maakten deel uit van een 25-tal, dat in 1633 door schipbreuk van een Westindiëvaarder in Marokko was terecht gekomen. De schipper had geen geld genoeg voor de anderen en schreef spijtig in zijn journaal: "Ick konde haer allen niet helpen." (zie ook hetgeen hierover vermeld is bij de toelichting op de vrijlating van de Hongaarse predikanten, in 1676) Zulke voorgeschoten losgelden werden in patria door de betrokkenen of uit speciale liefdadigheidsfondsen terugbetaald. Naar een ruwe schatting heeft de Ruyter in de loop van zijn leven zeker 2000 christenslaven vrijgekocht. Na een lange terugrit en een nacht onder de blote hemel kwam de schipper terug aan boord, "wél getravalyeert van reysen, soo moede als van luysen en vlooien!" Zo
volgden meer reizen, ook naar West-Indië. Van zo'n Antilliaanse tocht
valt nog een bijzonder voorval te melden. In 1648 was met de Vrede van
Westminster een einde gekomen aan de tachtigjarige oorlog met Spanje, en
de schip[per kreeg bericht dat Uit de jaren als schipper zijn nog enige andere - ongedateerde - voorvallen bekend, die een beeld geven van de toenmalige zeevaart. Uit Ierland komend lag schipper De Ruiter met andere koopvaarders bij het eiland 'Wicht" (Wight) met de wil naar Vlissingen door te varen. Het Kanaal 'krielde' van de Duinkerkers en de anderen durfden de tocht niet wagen, maar schipper De Ruiter vond het begrotelijk om niet van de gunstige wind te profiteren en liet zijn schip met bedorven boter insmeren. Toen hij inderdaad werd geënterd konden de aanvallers niet op de been blijven en zij werden na een fel gevecht afgeslagen. Een
ander stout stukje bedreef de schipper eens door, toen hij met een
betrekkelijk weerloos schip in gezelschap van andere koopvaarders uit
Frankrijk thuisvarend, Natuurlijk ontkwam ook Michiel Adriaenszoon De Ruyter niet aan slecht weer en als men bedenkt met wat voor kleine vaartuigen de elementen destijds werden getrotseerd hoeft het ons niet te verwonderen dat een hoge tol werd betaald. Een jongere broer is in een storm op zee gebleven en hijzelf ontsnapte menigmaal ternauwernood aan hetzelfde lot. Brandt geeft verscheidene voorbeelden van het verloren gaan van vele schepen, terwijl dat van schipper De Ruyter als enige of één van weinige gespaard bleef. Wij mogen hieruit afleiden dat hij een uiterst kundig zeeman was. Op de kust van Barbarije werd zijn schip een keer in beslag genomen door een Frans oorlogsschip of een Franse kaper onder bevel van de markies de La Lande, onder het motto dat hij verboden handel op vijandelijk gebied had gedreven. Schipper De Ruyter ontkende dat en kwam met zijn papieren, maar De la Lande was niet gevoelig voor argumenten. Tijdens het twistgesprek hierover vroeg de markies of De Ruyter iets wilde drinken, water of wijn, waarop het antwoord luidde: "Als ik een gevangene ben water, ben ik een vrij man, dan wijn." Dat sprak de Franse edelman aan zodat hij wijn liet aanrukken en op een goede reis dronk. Schip en lading werden vrijgegeven. Het is wel aardig hierbij de vermelden dat zij elkaar in 1657 andermaal zouden ontmoeten. Vice-admiraal De Ruyter nam toen de kaperkapitein De la Lande gevangen, maar hij mocht hem niet vrijlaten, wel hartelijk ontvangen en dat deed hij dan ook. De la Lande moest mee naar Amsterdam. Omdat hij beweerde in 's konings dienst te zijn en door de Franse regering werd gedekt zijn daar nogal wat politieke moeilijkheden uit voortgekomen. Een ander voorval speelde zich in de West-Indische wateren af. De Salamander had een Spaans oorlogsschip in de grond geschoten maar de opvarenden opgepikt. Op de vraag aan de Spaanse kapitein of hij dat ook zou hebben gedaan antwoordde deze "stoutelyck" dat hij hen allen zou hebben laten verdrinken. De schipper liet daarom klarigheid maken om de gevangenen "de voeten te spoelen" waarop de kapitein bijdraaide en smeekte om lijfsbehoud, hetgeen hem en zijn mensen werd geschonken. Op een reis naar Salee in Marokko kreeg de Salamander 's avonds vijf Algerijnse zeerovers in zicht, waaronder de vlaggenschepen van de admiraal en de vice-admiraal van Algiers. Gedurende de nacht hield schipper De Ruiter het gaande en hij maakte zijn schip gereed om bij het "lumieren" van de dag onverschrokken op het admiraalsschip aan te houden en dat onverhoeds de volle laag te geven. Op deze stoutmoedigheid waren de Algerijnen niet voorbereid en er ontstond verwarring waarbij enkele met elkaar in aanvaring kwamen. Inmiddels manœuvreerde de Salamander zo behendig dat even later de de vice-admiraal ook op de volle laag kon worden getrakteerd. vervolgens sloeg de schipper zich door de andere rovers heen en bereikte veilig de rede van Salee waar het gevecht van de wal af was gadegeslagen. De Moren daar ontvingen hem als oude bekende met de "hoogste achtinge" en lieten hem te paard de stad inrijden als in triomf. De Algerijnen, die ook ter rede waren verschenen moesten te voet volgen, ten prooi aan "vele smaadtredenen en verwyt van hun kleenhartigheit". De laatste reis van De Salamander begon op 8 april 1651. Eerst ging het naar Pleymuyden (Plymouth) waar een licentie werd gehaald om in de Engelse Antillen te mogen handelen. Cromwell was de baas in Engeland, maar de eilanden waren nog in handen van de koningspartij hetgeen waarschijnlijk niet lang meer zou duren . Schipper De Ruiter maakte een afspraak met de Engelse vice-admiraal Sir George Ayscue, in het jordynael "Syer Joris Haskus", die met een eskader naar de West zou vertrekken om de eilanden te veroveren. Zij zouden elkaar ontmoeten bij Sint Vincent in de Kaapverdische eilanden. Mogelijk wilde Ayscue profiteren van de plaatselijke bekendheid van de schipper. Na twee weken vertrok De Salamander naar Marokko, waar zaken werden gedaan met de Sant in Ilegh. Op 14 mei van Santa Cruz (Agadir) vertrokken kwam De Salamander op de 24e bij St Vincent. Geen spoor echter van Ayscue, ook niet het afgesproken teken aan de wal.De tijd werd bekort door jagen,bevoorraden en zorg voor het schip, maar na een maand was de schipper het wachten moe. Hij begroef een brief bij een paal en vertrok. Ayscue is pas in september gegaan. De eilanden waren nog in handen van de koningspartij zodat de licentie van het Parlement niet op de proppen behoefde te komen. In de herfst was het schip weer thuis,.De vriendschap van de Ruyter met Ayscue heeft eigenlijk altijd voortbestaan, ook toen de twee later vele malen tegenover elkaar stonden. Voor het eerst was dat in de Slag bij Plymouth, die door de Ruyter gewonnen werd. Tijdens
die laatste reis met zijn Salamander was hij wederom weduwnaar geworden.
Neeltje Engels was hem in 1650 ontvallen. Er waren nu vier kinderen. Behalve
Adriaen en de jonge Neeltje waren er Aeltje (Alida) van 1642 en van 1649
Engel, die vaders voetsporen zou drukken. Hij had toen dertig jaar gevaren
en bereikt wat hij zich in zijn stoutste jongensdromen misschien nog niet
had voorgesteld. 44 jaar oud, van middelbare leeftijd, in het bezit van
een bescheiden vermogen, geacht en gezien poorter van zijn stad, vond
hij de tijd gekomen zijn leven verder aan de wal te slijten. Hij was hij
was door alle uitgestane zwarigheden "der zee moede geworden"
|
||||