§ . Links . §

 

 

ENKELE ASPECTEN MET BETREKKING TOT DE SCHEEPSBOUW EN HET LEVEN AAN BOORD IN DE 17e en 18e EEUW.I
door H. Zick,
Kapitein ter zee bd van de Technische Dienst Koninklijke Marine;
die betrokkern was bij de nieuwbouw van onderzeeboten, maar tevens een studie maakte van de bouw van het oorlogsschip in onze Gouden Eeuw. .
                                                                                                                                           

Inleiding:

Met de grote handelsvaart op Azië werden steeds hogere eisen gesteld aan de bouw van de schepen. De lange en verre reizen vereisten extra de aandacht voor wat betreft zeewaardigheid,de mee te nemen lading ,de weerbaarheid( bewapening) en de accommodatie. Oorlogsschepen vervulden naast hun oorlogstaak neventaken als het begeleiden en beschermen van de handelsschepen tegen kapers,in het algemeen:” het vrijhouden van de handelsroutes.”

De laatste  onderscheidden zich van de koopvaarders door een zwaardere bewapening ,vergroting van het incasseringsvermogen door een plaatselijk zwaardere uitvoering van de scheepsconstructie en door  aangepaste accommodatie voor het kunnen meenemen van soldaten (kanonniers). De bouwwijze zelf verschilde niet veel. De VOC liet haar schepen bouwen op de zes eigen werven. Elke scheepsbouwmeester bouwde toen volgens eigen inzicht en naar eigen ervaring,waardoor geen schip hetzelfde was. Pas later in de jaren 1742 e.v. voerden de Heren Zeventien standaardmaten in voor de V.O.C. schepen en werden bouwtekeningen en schaalmodellen vervaardigd, waaraan de scheepsbouwmeesters zich moesten houden. In oorlogstijd werd de oorlogsvloot veelal aangevuld uitgebreid met ingehuurde koopvaarders,waarvan dan de bewapening (en de bemanning) werd opgevoerd. Een nationale marine heeft in de tijd van de Republiek niet bestaan. De bemanningen bestonden uit een mengeling van nationaliteiten. Totdat in de 2e helft van de 17e eeuw de marine professioneel werd georganiseerd,was de bevelsstructuur onduidelijk. Zo bleken Tromp en zijn collega vlagofficieren vaak problemen te hebben met kapiteins, die de orders niet precies opvolgden en die zich tijdens gevechten afzijdig hielden.

Ten  tijde van de V.O.C. ging ook geregeld een koopman mee naar Azië,maar met “twee kapiteins aan boord” ontstonden al gauw spanningen in de gezagsverhouding aan boord. Hoe zo’n koopvaarder/oorlogsschip er globaal van buiten uitzag,mag als algemeen bekend worden aangenomen.

"De Eendraght" 
Het vlaggenschip van de Ruyter waarop hij in 1676 in de Slag bij de Etna, tegen de Franse admiraal Duquesne, sneuvelde.

Krijgsraad a/b van
"
De Zeven Provinciën"
op de vooravond van de 4-daagse Zeeslag 1666.
Ets van Willem v.d. Velde.


De Bouw.

Nadat de opdracht was ontvangen kon op de aangewezen bouwwerf  met de bouw worden begonnen. Het benodigde hout moest van zeer goede kwaliteit zijn. Het eikenhout,nodig voor de zware delen,werd  o.m. gehaald  uit Denemarken en Duitsland.(de Nederlandse eikels bleken in Deense grond zeer goed te gedijen).Om een ruw idee te geven van de hoeveelheden hout benodigd voor de bouw van één groot schip van ca 40-45 meter lengte:ca 1400 m3 eikenhout, zijnde het volume van de zware delen zoals de kiel en stevens,de spanten,de balken voor de dekken,het roer,de spillen,de huiddelen,enz,enz. Voor de dekken, masten met stengen en ra’s was nodig ca 175 m3 aan oregon pine ,in totaal bijna 1600 m3 aan uitgezaagd hout!!. Dus niet meegerekend het zaagafval….l

De Admiraliteitswerf te Vlissingen
De Scheepstimmerwerf van de Admiraliteit van Amsterdam
naar een schilderij van Ludolf Backhuysen,   (Rijksmuseum, Amsterdam.)


Behalve het “kale” eigen gewicht komt daarbij dat van de inrichting,de bewapening,munitie,voeding,water en natuurlijk de mee te nemen lading (voor de grote schepen bedroeg dat zo’n 300 last,of  600 ton ),de bemanning van ca 200 man. Op de uitreis naar Azië werd voor de bouw van forten aldaar een lading bouwmaterialen(w.o. stenen) meegenomen plus nog een hoeveelheid soldaten. Bouwstenen die voor de uitreis dan tegelijk als ballast dienden ter vergroting van de stabiliteit. De meegenomen soldaten dienden ter versterking van de bezettingen aldaar ;zij werden geregeld ingezet om waar nodig voor de Nederlan-ders er vaste voet aan wal te kunnen afdwingen.

Op de thuisreis bestond de lading voornamelijk uit de ons algemeen bekende specerijen als kruidnagelen, nootmuskaat, foelie,peper enz.

Was de concurrentie tussen de diverse Nederlandse handelshuizen groot,sinds de oprichting van de Verenigde Oost-indische Compagnie in 1602 werd deze weggenomen en kon men de krachten bundelen.  

1,1 De kiel en stevens

Het eerste en belangrijkste onderdeel voor het te bouwen schip was de zware eiken kiel. Daar de kiel voor een groot schip al gauw 40 meter of  langer moest zijn (met een breedte/hoogte van ca 60/40 cm!) en er geen bomen van dat formaat waren te vinden,moest deze uit verschillende delen worden samengesteld. Deze delen werden door middel van “lassen” met elkaar verbonden. De Kiel werd op blokken hout , (stapels) opgesteld en uitgelijnd. De ervaring leerde dat de kiel door het grote gewicht van de beide  stevens aan de uiteinden de neiging had wat door te zakken, en daardoor een kattenrug kreeg. Dit werd voorkomen door de kiel “hol” te stapelen,dwz. met behulp van keggen werden de uiteinden op de stapeling t.o.v. het midden ca 10 cm omhoog gebracht, waardoor de kiel een zekere voorspanning kreeg. De lassen werden met grote zorg aangebracht. Hoe beter de lassen op elkaar aansloten en hoe beter ondersteund,hoe sterker de verbinding. De richting van de lassen van voren naar achteren en van boven naar beneden (zie schets) voorkwam instromend water tijdens de vaart. De lassen werden met klinkbouten vastgezet en vervolgens op een speciale wijze waterdicht gemaakt. Onder de kiel werd nog een zg slijtkiel aangebracht ter bescherming van de kiel (bv bij aan de grond lopen). Nadat de kiel was geplaatst en was uitgelijnd, werden beide stevens op de kiel geplaatst. Beide bestonden uit zware eiken constructies. De voorsteven moest door het grote eigen gewicht worden ondersteund om de lassen niet te veel te belasten en om uitzakken te voorkomen.

De stevens werden opgebouwd uit aparte delen,die zo veel mogelijk uit bomen werden gezaagd,die reeds de gewenste kromming hadden. Deze waren echter zelden beschikbaar,zodat de gewenste vorm moest worden bereikt door het samenstellen van apart vervaardigde delen.  

 

  (zie schets opstelling kiel en stevens)

De voorstevens  waren in die tijd veelal langgerekt en hingen deze in het begin van de 17e eeuw nog ver naar voren boven het water. Men meende dat dit de snelheid ten goede kwam,daar het water tijdens de vaart dan niet “gekloofd” werd,maar onder het schip doorstroomde. Later kwam men tot het inzicht, dat een langer onderwaterschip,(dus wèl  kloven) juist gunstig was voor de snelheid,terwijl het schip scherper aan de wind kon zeilen. De steilere voorsteven maakte bovendien het voorschip sterker om de zware spriet te dragen.

De rechte achtersteven moest robuust van constructie zijn om de rukken van het aangehangen roer te kunnen opvangen. Vooral bij zwaar weer konden deze krachten hoog oplopen. Verlies van het gebruik van het roer,dan wel verlies van het roer zelf,was rampzalig en was het schip gewoonlijk verloren. Gebeurde dit bovendien tijdens gevechtshandelingen,dan werd het schip voor de tegenstander een gemakkelijk doelwit (“sitting duck”) .Op het roer,de ophanging en de bediening wordt nog ingegaan.

1.2.  De spanten en de huid.

De spanten (voor deze scheepsgrootte totaal rond de 80-90 stuks!) vormden de ribbenkast van het schip. Om de gewenste vorm te krijgen,werden deze in delen uitgezaagd ,zuiver haaks geschaafd,zn in de gewenste vorm gebogen en vervolgens samengebouwd. Bijgaande schets

 toont de delen en de opbouw. Het onderste middendeel,de legger,werd nauwkeurig haaks op hart kiel geplaatst en daarop vastgezet met een zeer lange dikke pen.

De aangebouwde opgaande delen (de oplangen en de stutten) werden gestut ter voorkoming van uitzakken door het eigen gewicht .Het volgende spant werd stijf tegen de zitters van het eerste spant aangelegd en vervolgens op identieke wijze op de kiel geplaatst en daarop vastgezet. Op deze wijze voortgaande, werd een zeer stabiele constructie verkregen, waarop dan de buitenhuid kon worden aangebracht. De boveneinden van de spanten werden zuiver uitgelijnd op hart schip èn t.o.v. elkaar. Bovenop de vastgezette leggers werd dan het zg “zaathout” aangebracht,een zware binnenkiel met een breedte van ca 80 cm en een dikte van ca 30 cm, waardoor een zeer sterke constructie werd verkregen.

Voor het vloeiend aansluiten van spanten en huidplanken tot een rond voorschip, was heel was sc haaf- en paswerk nodig. Het was een heel karwei om een vloeiend verlopend en sterk geheel te krijgen. Voor het rechte achterschip was dat een stuk eenvoudiger.

Voor het aanbrengen van de vooraf gebogen huidplanken werden de spanten in een vloeiende lijn gebogen en bijgeschaafd,opdat de rondlopende huidplanken daarop goed vlak zouden aansluiten.

De huid.

Gewoonlijk bestond de huid uit één laag dikke eiken planken. In de dagen,dat de V.O.C. handel dreef op het verre oosten en de schepen daarvoor lange tijd van huis waren en er lange tijd in tropische wateren

verbleven, kreeg men te maken met een groot probleem,nl dat van de paalworm,een ca 9 cm lang week- diertje,een houtknagend schelpdier,een boormossel,dat de grootste verwoestingen aanrichtte in de hou- ten scheepswand. Zelfs in de thuishavens in Nederland (kades etc) ontkwam het houtwerk niet aan de vraatzucht van dit dier. Men had daartegen geen enkel afdoende bescherming;men bedekte de huid onder de waterlijn soms met grote platte kopspijkers,dicht opeen geplaatst,om het knagen tegen te gaan, maar om redenen van gewicht moest men dit beperken tot de belangrijkste delen. Ook werd wel een tweede,dunnere, (grenen) huid aangebracht onder de waterlijn. Ook zou men nieuwe schepen wel met lood hebben beslagen. Dat allemaal alleen om de boormossel zoveel mogelijk te weren!    

Voorbereiding voor het aanbrengen van de huidplanken.

Alvorens de (dikke) op maat gezaagde huidplanken op de spanten konden worden geplaatst,moesten deze op maat worden gebogen en getordeerd. Bijgaande schets toont een manier waarop dat toen geschiedde.De “binnenbocht” van de plank werd met open vuur gebrand(verhit),terwijl tegelijk de andere zijde met water werd natgehouden. Onder spanning gehouden,kreeg de plank na enige uren de gewenste kromming en torsie. Ook dik eikenhout  bleek met open vuur extreem gebogen te kunnen worden, zij het dat daarvoor dan veel meer tijd nodig was. Er waren toentertijd verschillende methoden in gebruik om het hout te buigen.  

 

De scheepsconstructie moest veel krachten kunnen opnemen. Tijdens de vaart beweegt het schip voort-durend zowel langsscheeps als dwarsscheeps. Bij flinke zeegang zal het schip in het midden op de top van een golf worden opgetild en willen doorbuigen. Daardoor worden de boorden naar binnen gedrukt.

Wanneer het schip echter in een golfdal terechtkomt,zullen zowel het voorschip als het achterschip wor- den opgetild en worden de boorden naar buiten gedrukt. De scheepsconstructie verzet zich hoorbaar tegen deze beweging(“pratend”schip. Bij de bouw hield de scheepsbouwmeester hier reeds rekening mee door de schepen een grotere zeeg (holte) te geven,zodat in combinatie met de doorlopende rechte dek-ken een grotere stijfheid werd verkregen.(vergelijk die van een spoorbrug!)  

 

  De zware huiddelen naast de kiel (de zg zandstroken met op de hals een breedte van ca 50 cm en een dikte van 10 cm) moesten zeer nauwkeurig aansluiten in de sponningen op de kiel en de stevens,immers van groot belang voor de waterdichtheid .Om de waterdichtheid van de romp na het “breeuwen” van de naden te controleren,liet men de scheepsvlakken voor de tewaterlating met water vullen.

Om wat meer eenheid te krijgen in de vorm van te bouwen schepen en om de scheepsbouwmeesters wat minder daarin de vrije hand te laten (immers geen twee schepen waren gelijk),voerden de Heren Zeven-tien in 1742 standaardmaten in voor VOC-schepen;de vormen werden meer in tekening vastgelegd en men ging uit van een zg. lijnenplan. Dit is een geheel van vloeiende lijnen,afgeleid van enkele hoofd-maten. Aan de hand van een goed opgezet lijnenplan kon de scheepsbouwer alle maten ven het schip berekenen en vastleggen. Zo’n lijnenplan bestaat uit twee tekeningen,het verticalen- en het horizontalen plan. Het eerste toont de scheepscontouren in zijaanzicht, het tweede in bovenaanzicht. Vanuit deze plannen werd de vorm van de spanten en van de huidplanken bepaald. Uit dit plan werden de maten van de spanten overgebracht op de spantenvloer,waar de spanten werden gevormd. Zie verder onder “spanten”.                                                                                                                                                                          
1.3.
De grote mast.

De grote mast,de belangrijkste en zwaarste gemaakt uit grenenhout met een gewenste lengte van ca 90 amsterdamse voeten (ca 25,50 meter)werd opgebouwd van een massieve boomkern met daaromheen 8 halve goed daarop pasgemaakte bomen,vast gepend met ijzeren pennen. De onderdelen moesten goed op elkaar aansluiten voor sterkte en om inwatering te voorkomen. Een opgebouwde mast was gewoonlijk sterker dan een massieve mast.  

 

De ijzeren pennen vingen bij het  buigen van de mast de schuifkrachten op en de bindsels hielden daarbij dan de onderdelen bij elkaar (zie schets)

In het schip steunde de mast op het zaathout op de kiel en was daarmee onwrikbaar met met de scheepsconstructie verbonden.

De grote mast en de fokkemast ervóór dienen zo ver mogelijk uit elkaar te worden geplaatst voor het passeren van de ra’s  en om te voorkomen dat ze voor de wind al te veel in elkaars luwte- en aan de wind te veel in elkaars turbulentie zouden staan. De grote mast staat daarbij wat achterover om de windkrachten beter te kunnen opvangen en dient tevens als steun voor de boegspriet.

Op de uitgebreide tuigage zal hier niet worden ingegaan .Volstaan wordt met het vermelden dat met de gewoonlijk nog sterk verlengde masten van een groot retourschip (boegspriet, fokkemast, grote mast en bezaan) ruim 1000 m3 aan zeil kon worden gevoerd. Het hijsen en reven van de zeilen was zwaar werk.  

1.4  Het roer.

De vorm van het roer,onderwater in breedte uitlopend is bepalend voor de effectiviteit. Onder water heeft het grotere roeroppervlak een weliswaar groter effect,maar bij slecht weer zal het roer heftig rukken aan de ophanging,welke daarom zeer solide werd uitgevoerd om verlies van het roer te voorkomen. (is reeds besproken)  

 

De roerganger stond in een aparte ruimte, had geen uitzicht op de zee en kreeg hij zijn stuurorders van de stuurman. De beweging van het roer bij zwaar weer kon in de hand worden gehouden door een stelsel van touwen.  

1.5  De pompen aan boord.

Het doel van deze belangrijke werktuigen spreekt voor zich. De geheel uit hout opgebouwde pompen aan boord stonden zodanig opgesteld dat zij het lekwater uit de laagst gelegen plaatsen konden oppompen naar een hoger gelegen dek, waar dit werd opgevangen in een verzamelvat en dat van daar uit naar buitenboord kon aflopen. De pompen werden met de hand bediend en bij slecht weer met veel overkomend water (en zeker bij lekkend schip),dan was soms “alle hens aan de pompen”geblazen. Er zouden twee typen in gebruik zijn geweest,de (kwetsbare) kettingpomp(het idee van een bagger molen ) en de zuigerpomp .De bekendste is de zuigerpomp

 

daterend uit de 14e eeuw,waarvan de werking berust op het volgende: In een over de volle lengte hol geboorde rechte boomstam tot pompschacht,werd onderin een soort terugslagklep aangebracht,zodanig,dat het lekwater van onder via een filter/zeef er kon binnendringen maar niet kon teruglopen. Bovenin bevond zich een dmv een hefboom op- en neer beweegbare goed passende zuiger met eveneens een terugslagklep. Door de laatste omlaag te bewegen, werd de klep onder in de bovenzuiger door het water open gedrukt en vulde de ruimte boven deze zuiger zich met het lekwater. Door met de hefboom de zuiger omhoog te bewegen werd door de kolom water de klep gesloten en “tilde” de zuiger het water (als in een emmer) naar boven,waar het via een verzamelvat kon uitstromen naar buitenboord. Door de vacuümwerking vulde de ruimte onder de zuiger zich tegelijk weer met water en kon het proces zich herhalen. Was de aandrijving toentertijd nog primitief met zwengel,later kon de op- en neer gaande beweging ook worden bereikt door  een ronddraaiende beweging dmv een kruk. Meerdere pompen werden aan boord geïnstalleerd en men zorgde voor voldoende reservedelen. 

2. Het leven aan boord van een V.O.C. retourschip.

De scheepvaart stond in die tijd buiten het gildewezen en ondervond elk jaar de werkloosheid als  gevolg van koude winters en verschafte de zeelieden een onzeker bestaan.

De marine matroos, s’ winters gewoonlijk zonder schip, was in het voorjaar arm genoeg om weer aan te moeten monsteren.                                                           

Dienen was bij de Marine in die dagen niet populair door de lage gages en de gebruikelijke achterstand in de uitbetalingen.   
De meest ruwe klanten namen dienst bij de VOC. Na tekenen(voor 3 tot soms 10 jaar!)verdween men  naar Azië (de Oost). Het zeevolk uit die dagen werd geworven uit een grote naamloze werkloze massa . Aan het einde van de 17e eeuw dienden 3000 tot 4000 zeelieden aan boord van VOC - schepen in Azië. De oorlogsvloot was tijdens de Tweede en Derde Engelse oorlog bemand met ruim 20.000 man, groten-deels afkomstig van tijdelijk stilgelegde koopvaarders.

Later toen de scheepvaart op Indië en het dienen in de Marine geen bekoring meer uitoefenden, hielpen zielverkopers en werfagenten de schepen aan volk en zij brachten het plebs,de maatschappelijk uitgestotenen met hun ziekten en “verdorvenheden” aan boord. Geen wonder dat er aan boord een ijzeren tucht nodig was. De lange reizen, de verveling, het zware werk, slechte hygiëne, geen variatie in de toch al slechte voeding, gebrek aan goed drinkwater (na verloop van tijd was het drinkwater zo vervuild, dat men de tanden op elkaar moest houden als een soort zeef om het op het water drijvende vuil tegen te houden!!), dat alles trok een zware wissel op de opvarenden.

De bemanning van een uitgaand retourschip van de VOC bestond gewoonlijk uit ca 150 matrozen,75 soldaten en enkele officieren. (ter vergelijking:de grootste oorlogsschepen hadden ca 400 man aan boord en 70 of meer stukken geschut).

De behuizing aan boord van een VOC schip was krap, zeker wanneer voor uitzending naar de Oost ook nog dienaren van de VOC meevoeren. Als bij slecht weer poorten en luiken werden gesloten,dan werd de stank in het volksverblijf  goed merkbaar. Bedorven kielwater, ongewassen lichamen en kleding, zeezieken, natte kleren, rook en warmte uit de kombuis (ook in de tropen!!), droegen een steentje bij aan het ongemak. De voedselvoorziening aan boord was van voortdurende zorg, zoals het conserveren van voedsel voor lange tijd (vlees werd gepekeld, kaas geteerd). Gebrek aan verse groente en fruit met als gevolg scheurbuik, gebrek aan geneeskundige middelen. Over de voeding beschreef eens een varende Engelse kroniekschrijver Barlow met enige bitterheid een Kerstdiner aan boord, dat bestond uit drie of vier happen vlees dat twee tot drie jaar in de pekel had gelegen en een beetje stinkende boter dat slechter was dan het spul waar boeren hun karrenwielen mee insmeren…… (Zie ook "De CHIRURGIJN")

Was de voeding slecht en eentonig, de kleding was dat zeker  Een uniform bestond toen niet. Dat wat de matroos bij het aan boord komen aanhad (veelal al vodden), was zijn enige bezit aan kleding. Daarin deed hij zijn werk, sliep erin,haalde hij een nat pak, dan bleef hij daar noodgedwongen in rondlopen. De kleding werd niet- of nooit gewassen, water was schaars en zeep  werd pas eind 18e eeuw verstrekt.

De gezonden en zieken sliepen naast elkaar, velen leden aan longaandoeningen, er heerste typhus cholera, dyssentrie en soms pest. De sterftecijfers in de scheepvaart waren dan ook verbijsterend hoog. Een paar cijfers: in de periode 1625-1631 leed de VOC een verlies van 368 doden uit 2550 man bemanningen (14,4%),  in 1644-1648 was dit 8 %; later in 1768 was dit 16 % aan doden op de uitreis naar Azië. Eind 18e eeuw heerste er typhus op de schepen waardoor van de 2000 jaarlijks uitgezonden soldaten er slechts 400 de Oost bereikten!! De soldaten waren kennelijk minder gehard dan de zeeman. Tijdens oorlogen was het aantal doden door ziekten vele malen groter dan het aantal gesneuvelden. Het zou lang duren voor er verbetering kwam in de levensomstandigheden aan boord. Wat een “goede” chirurgijn destijds deed was aderlaten en purgeermiddelen toedienen. Zijn bloederige amputaties tijdens het zeegevecht mislukten veelal door het gebrek aan antiseptica .Die  operaties vonden plaats is de slecht  verlichte en slecht geventileerde kombuis. Verdoofd werd met rum,daarna een leren prop in de mond om de pijn te verbijten. Tijdens gevechten werd 80% van het volk ingedeeld bij het geschut. De rest zorgde voor koers en vaart.

De gage was voor de schepelingen laag, te laag om een gezin te kunnen onderhouden, ondanks “de vrije kost en inwoning”, vandaar dat velen ongehuwd bleven.   

De VOC betaalde haar matrozen pas uit  na terugkeer in het vaderland. Overleed men onderweg, dan vond dus ook geen uitbetaling plaats.

                                                                           -o-o-o-o-o-o-o-o-o-

 Geraadpleegde bronnen:  
-         
van Lier/Braamhorst:  Het VOC schip “de halve maan”
-          J.de Hullu: ”Op de schepen der Oost-Indische Compagnie”.
-          De Batavia, de herbouw van een Oostindiëvaarder. Uitgave van de stichting 
           “Nederland bouwt
VOC retourschip”. (5 Cahiers door Willem Vos).     
-          Varend verleden, de Nederlandse Oorlogsvloot in de 17e en 18e eeuw. Door J.R.Bruijn
-           Scheepsbouw anno 1671. Door Nicolaas Witsen.

 

Terug naar de vorige pagina