|
De
geneeskunde op ’s Lands vloot ten tijde van
Michiel Adriaansz. De Ruyter
***
Door
Dr G.
Haneveld, Arts, Patholoog-anatoom en Medisch Historicus.
met een aanvulling van Dr J.N. Keeman, Chirurg.
(Zie
ook
Bibliotheek Nr.:
122 "Harde Heelmeesters.)
De
opleiding tot scheepschirurgijn
In de zestiende eeuw waren er in ons land nauwelijks medicinae doctores, artsen die waren afgestudeerd aan een
universiteit. Slechts een enkeling ging studeren in Padua of Parijs
maar het onderwijs was daar zuiver theorie. De geneeskundige praktijk
werd uitgevoerd door chirurgijns. Deze hadden meestal als lid van een
gilde, bij een meester-chirurgijn een jarenlange leertijd doorgemaakt,
eerst als leerling en daarna als gezel waarbij ook anatomische
ontledingen moesten worden bijgewoond. Tenslotte werden zij
meester-chirurgijn maar pas wanneer zij een pittig examen hadden
afgelegd waarin zij moesten tonen kennis te beziten van de anatomie,
van een aantal ziektebeelden en natuurlijk van de kunst van aderlaten.
Daarbij moesten zij demonstreren dat zij in staat waren hun vlijmen of
aderlaatmessen letterlijk vlijmscherp te kunnen slijpen. Voorts
moesten de geëxamineerden tonen dat zij konden spalken en verbanden
leggen, armen en benen amputeren en de hersenpan doorboren met een
zogeheten trepaan. Dit was een schedelboor die twee tot drie
centimeter ronde, oppervlakkige gaten boorde door het schedeldak. De
hersenmassa bleef intact. Bij een ingedeukt schedelbot kon die ingreep
levensreddend zijn.
Een
indruk van hun theoretische kennis krijgt men uit de volgende vragen
die tijdens een chirurgijns examen werden gesteld.
Vraag:
Welcke zijnde natuerlijcke saecken waer van ons lichaem gemaeckt wort?
Antwoord:
Daer
zijnder twaalf in ’t getal:
Ten eersten de vier elementen, te weten
1. Het vuur,
2. De locht,
3. Het water,
4. De aarde.
Ten tweeden: de vier temperamenten
als:
5. Heet,
6.
Koud,
7.
Vochtigh,
8.
Drooge.
Ten derden de vier humeuren:
9. Bloedt,
10
Phlegma,
11.
Cholera
12. Melancholia.
Vraag:
Welcke zijn de dingen die niet natuerlijck en zijn?
Antwoord:
Zijn
sesse in ’t getal, die het lichaem gesont houden, als sy te recht
geappliceert zijn, maer niet wel geappliceert bederven het selve als
zijn:
I
De locht die ons omvanght
2
Het eten en drincken
ofte nootdruft
3
Het roeren ende rusten, soo wel des geheelen lichaems als van elck
deel
byzonder
4
Slapen en waken
5 De
Excrementen ende het gene dat men in houdt
6 De
beroerten des geests
Kortweg werd hier gezegd dat om gezond te blijven men goed moest
kunnen ademen, goed eten en drinken, rusten en slapen en zorgen voor
een goede stoelgang. Onder beroerten
des geests verstond men een psychische overbelasting. In deze zes
simpele regels werd samengevat waarover men thans dikke
‘gezondheidsboeken’ schrijft.
Tot
de eerste Nederlandse leerboeken voor de chirurgijn behoorden het Chirurgijns
of heelmeesters reys-boek (1675) en het Heel-Konstige
Examen ofte Instructie der Chirurgie (1677) die de Middelburgse
chirurgijn Johannes Verbrugge ( 1633-1682) had gepubliceerd. Na zijn
dood verscheen nog De nieuwe verbeterde chirurgyns scheepskist (1693) en Het
nieuwe hervormde examen van land- en zee-chirurgie (1740) dat
verschillende herdrukken heeft beleefd.
Deze
titels wijzen er al op dat chirurgie op zee kennelijk iets anders was
dan die op het land.
De chirurgijn aan boord
Er
bestond trouwens eveneens verschil tussen de chirurgijns die meevoeren
op de handelsschepen van de Oost- en West-Indische Compagnie en de
chirurgijns van ’s Lands vloot.
Voordat
een chirurgijn werd toegelaten tot de vloot werd hij door een doctor
en een opperchirurgijn van een van de Collegiën van Holland nogmaals
geëxamineerd. Daarna moest bovendien een eed van gehoorzaamheid
worden afgelegd.
Al
naar zijn bekwaamheid kreeg de aangenomen chirurgijn de rang van
Ondermeester, Seconde-meester of Oppermeester bij de vloot.
De
medische bezetting van een oorlogsschip werd afhankelijk van haar
grootte vastgesteld. Dat betekende voor een schip
van
100 koppen: 1 opperchirurgijn
van 150 koppen: 1 opper- en 1 onderchirurgijn
van 200 koppen: 1 opper- en 1
onderchirurgijn
van
250 koppen; 1 opper- en 2 onderchirurgijns
van
325 koppen; 1 opper-, 1 seconde- en 2 onderchirurgijns
van
400 koppen; 1 opper-, 1 seconde- en 3 onderchirurgijns.
Had een chirurgijn drie jaren lang geen
dienst gedaan, dan moest hij nogmaals een examen ondergaan.
Er werd eveneens geëist dat gedurende de wintermaanden de chirurgijns
twee maal per maand lessen bij moesten wonen om zich verder te
bekwamen in hun vak
In
rang werden de onder- en de seconde-chirurgijns niet gelijkgesteld met
een officier maar met een onderofficier. Alleen de opperchirurgijn
kreeg (soms) een eigen hut.
Het
salaris was redelijk en bedroeg aan boord maandelijks ongeveer 40
Ponden Vlaams waar tijdens expedities nog 25 gulden aan werd
toegevoegd. Ook deelden de chirurgijns mee in de buit als er prijzen
waren gemaakt. Aan de wal en bij non-activiteit evenwel verdienden zij
niets, al werd er maandelijks wel ongeveer 50 gulden toegelegd.
Voor
die bedragen werd verwacht dat de chirurgijns de zieken en gewonden
gratis zouden behandelen. Voor de behandeling van venerische ziekten
en voor letsels die door onderlinge vechtpartijen waren ontstaan,
moesten de slachtoffers zelf betalen; eigen schuld. Bovendien kregen
de chirurgijns voor bepaalde werkzaamheden soms een geringe
vergoeding. Luitenant-admiraal De Ruyter bijvoorbeeld schoof de
chirurgijn-generaal maandelijks 50 gulden toe voor zijn diensten als
particulier opperchirurgijn. De meeste chirurgijns aan boord van de
schepen van oorlog verdienden als barbier of lavementzetter er nog wat
bij. Had een chirurgijn echter niet goed op de geneesmiddelen voorraad
gepast, dan werden de onkosten afgetrokken van zijn loon.
Het medische werk aan boord
Het begin van het spreekuur werd in het leger aangekondigd door een
trompetsignaal. In gedachten zong iedereen dan mee: ‘Al wat’er
verrot is, al wat’er kapot is voor de doktèr’. Aan boord van een
schip riep de provoost na het ochtendgebed als volgt tot het spreekuur
op:
Kreupelen
en blinden
Komt
laat u verbinden
Boven
bij de grote mast
Kun
je de meester vinden
Het
ziekenrapport werd namelijk vanouds gehouden boven op het dek, vóór
de grote mast. Daar had de chirurgijn dan wat medicijnen en verbanden
heen gebracht.
Tijdens
de strijd moest hij blijven wachten in het kombuis, diep onder in het
schip. De strijd die zich daar boven afspeelde kon hij alleen maar
horen, maar niet zien. Boven werden de gewonden maar ergens neergelegd
aan dek, daar bemoeide hij zich niet mee. Pas als er even een pauze
was, werden de gekwetsten naar beneden gedragen, naar de kombuis waar
de chirurgijn hen wachtte, terwijl hij de brandijzers voor het
dichtbranden van grote wonden al roodgloeiend had gemaakt.
Zieken
werden aan boord meestal in hun eigen hangmatten neergelegd. Ernstige
zieken en gekwetsten werden opgenomen in de ‘ziekenboeg’, meestal
een met zeildoek afgescheiden gedeelte vóór in het schip. Van de
chirurgijn werd verwacht dat hij minstens twee maal daags kwam kijken
hoe het met hen ging.
De medicijnenkist
Aan boord werden de nodige medicijnen meegenomen in een grote houten
en goed afsluitbare kist. Daarin bevonden zich een aantal vakken en
laatjes waarin de medicijnen zeevast werden bewaard. Pas in volle zee
kreeg de chirurgijn toestemming gebruik te maken van de inhoud van de
kist. Vóór dat moment moest hij zich maar behelpen met een
zogenaamde Lappendoos. Zoals
de naam al zegt bevonden zich daarin verbanden en wat veel gebruikte
medicijnen. Dat waren er altijd nog wel een vijftig in getal. In de
medicijnenkist zaten er veel meer. Honderdvijftig verschillende
medicijnen aan boord van een oorlogsschip was heel gewoon. De
samenstelling van die scheepsmedicijnenkist werd door de
Chirurgijn-generaal bepaald, de gasthuisapotheker van het Collegie
zorgde ervoor dat het voorschrift ook werd uitgevoerd. Na afloop van
de reis werd nauwkeurig gecontroleerd wat er was gebruikt en hoeveel
er nog over was.
Als
de lijst van medicijnen wordt overzien, valt op hoeveel soorten
kruiden, bloemen, wortels, zaden en oliën maar ook minerale poeders,
zalven, tincturen, watertjes en siropen er werden meegenomen op een
reis. Bovendien valt op hoeveel verschillende middelen er waren tegen
obstipatie of hardlijvigheid, vroeger bij zeelieden de meest
voorkomende kwaal. Dat was ook geen wonder want de bemanning moest
zijn behoeften doen in het galjoen, helemaal vóór in het schip. Daar
zaten zij blootgesteld aan weer en wind. Bij overslaande golven kon
dat zelfs gevaarlijk worden en werd de stoelgang dan dikwijls tot een
later, rustiger tijdstip uitgesteld. Met behulp van sterk werkende
laxeermiddelen zoals wonderolie, sennabladeren en een klisteer werd er
bij hardnekkige verstopping dan wat aan gedaan. Pijnstillende middelen
als opium werden ook zeer vaak verstrekt. In geval van koorts werden
meestal zweetdrijvende of koortsverlagende middelen toegepast.
Aangezien de chirurgijn meestal niet wist wat de oorzaak was van de
koorts, hadden zijn medicijnen maar een gering effect. De koorts zou
vanzelf wel weer overgaan; of niet. Betere
ervaringen had de chirurgijn bij de behandeling van geslachtsziekten
opgedaan. Daar maakte hij vooral gebruik van kwik waarmee het hele
lichaam ingewreven werd. En dan waren er natuurlijk de aderlatingen
die in de zestiende, zeventiende eeuw bij letterlijk elke ziekte
werden toegepast. Zelfs bij bloedarmoede en zware bloedingen.
Oorlogsletsels
Het hing er natuurlijk van af hoe de strijd ter zee gestreden werd.
Ging het om een vijandelijke entering dan zouden dolksteken,
sabelhouwen en bijlslagen te verwachten zijn. Viel de vijand van een
afstand aan, dan werd er vermoedelijk geschoten met musketten en
kanons. De ongeveer twee centimeters grote loden kogels uit een musket
waren niet zelden dodelijk. Piet Hein bijvoorbeeld kreeg een kogel in
zijn schouder waaraan hij overleed (1629). Jan van Galen kreeg een
kogel in zijn rechter been (1653). Negen dagen later was hij dood. Ook
Maarten Harperszoon Tromp kwam dat jaar door een musketkogel om. Dat
was misschien ook wel hun eigen schuld want de bevelhebbers van de
vloot hadden de gewoonte zich vaak duidelijk zichtbaar op de campagne
te vertonen. Voor vijandelijke scherpschutters met het musket een
dankbaar doel.
Met
de kanons werden zware projectielen afgeschoten. Die konden variëren
van kilo’s zware ronde kogels en zware bouten tot kogels die met
kettingen bevestigd waren aan elkaar. Die veroorzaakten vooral zware
schade wanneer daarmee een zeil getroffen werd. Indien een mens door
een kanonskogel werd getroffen, was dat vaak fataal. Een kogel uit
geschut maakte een einde aan De Ruyter’s leven. De kracht van de
kanonskogels werd vaak wat gedempt door het hout van de wanden van het
schip. Maar toch vlogen er dikwijls grote houten splinters in het
rond. Dergelijke houtsplinters vormden overigens een groot gevaar
omdat de daardoor veroorzaakte wonden dikwijls waren besmet met
tetanus. De dodelijke tetanus of ‘klem’ was destijds een gevreesde
complicatie bij oorlogsverwondingen in de strijd ter zee. Daar viel
toen nog niets tegen te doen. Hoewel dat door alle partijen sterk werd
afgekeurd, werd er soms van dichtbij, met spijkers en stukken glas of
gebroken porselein geschoten naar een schip. Die richtten uitgebreide
letsels aan.
 |
Door
de Staaten Generaal werd voor de Slag
bij Kijkduin, dit "Plakaat" uitgevaardigd, een
soort
"Ongevallenverzekering"
Gerard
Brandt.
Leven en Bedrijf van de Heere
Michiel de Ruyter. |
In
de strijd van zeer nabij wierp men vroeger vanuit de masten wel met
ongebluste kalk gevuld aarden potten naar elkaar.Wie die kalk in zijn
ogen kreeg, maakte grote kans verder blind door het leven te moeten
gaan.
Brand
aan boord van die houten schepen vormde natuurlijk een levensgroot
gevaar. Vanaf de schepen werden er dan ook dikwijls brandkogels
verschoten met het voornaamste doel de zeilen in de brand te steken.
‘Schieten met spek’ had het zelfde effect. Brandend spek kan door
water namelijk moeilijk worden geblust. Soms werd de munitieopslag
getroffen door het vuur, met een heftige explosie als gevolg. Dit
ongeluk trof het schip van admiraal Jacob van Wassenaer Obdam dat in
1665 met man en muis verging. Zelfs een gloeiend pluisje van een lont
kon al gevaarlijk zijn. Dat merkte De Ruyter toen zijn oog daardoor
getroffen werd. Een tijdlang kon hij vrijwel niets zien.
Nu
zou het te verwachten zijn dat de scheepschirurgijns een grote
ervaring bij het behandelen van drenkelingen hadden opgedaan. Dit was
echter niet het geval. Meestal werden drenkelingen die zich wanhopige
vastklampten aan ronddrijvende stukken hout, overgelaten aan hun lot.
De meeste zeelui konden toch niet zwemmen en met die langzaam
manoeuvrerende zeilende schepen duurde het meestal te lang voordat
drenkelingen uit het koude zeewater konden worden opgepikt.
Ziekten bij de oorlogsvloot
Scheurbuik als gevolg van een tekort aan vitamine C, vormde in het
verleden voor de zeelui een levensgroot gevaar. Tijdens langdurige
expedities en de reizen van de Oost-Indische Compagnie kwamen
ontelbaren daardoor om. Sterke vermoeidheid, los zittende tanden en
bloedingen in het tandvlees en aan de benen waren de meest voorkomende
verschijnselen. Aanvankelijk viel daartegen niets te doen. Toen bleek
dat verse groenten en fruit – vooral citrusvruchten – scheurbuik
kon voorkómen, nam men die ook aan boord van de oorlogsschepen mee.
Er
kwamen bij ‘s Lands vloot ook epidemieën van besmettelijke ziekten
voor. Reeds bij de eerste expeditie waarmee admiraal Van der Does in
1599 de Spaanse vloot een vernietigende klap toe wilde brengen, brak
aan boord van de Hollandse schepen een vreselijke ziekte uit. Van de
achtduizend man aan boord, kwamen door de koortsen niet minder dan
duizend matrozen om. Het is niet geheel duidelijk geworden wat de aard
van deze ziekte is geweest. Gele koorts werd wel gezegd.
Besmettelijke
darmziekten kwamen veelvuldig voor zoals buiktyfus en dysenterie. Vaak
hadden deze ziekten die gepaard gingen met heftige en vaak bloedige
diarree, een zeer snel verloop. Binnen 48 uren waren de slachtoffers
vaak al dood Dat had te maken met de onhygiënische toestanden aan
boord. De matrozen sliepen dicht op elkaar en met de behandeling van
de spijzen namen zij het niet al te nauw. Dan was er nog een andere
dikwijls dodelijke ziekte die met febris nauticus werd aangeduid. Hoge
koorts, sterke sufheid en uitgebreide vlekken over het hele lichaam
waren de voornaamste kenmerken van deze kwaal. Van deze
‘vlektyfus’ is thans bekend dat zij door klerenluizen over wordt
gebracht en, aan boord der schepen, waren die vaak in overvloed.
Wie
ook nog denkt aan het voortdurend blootgesteld zijn aan kou en
vochtigheid en het zware werk, zal het niet verbazen dat reumatische
klachten en longontstekingen tot de meest voorkomende aandoeningen
hoorden waar de chirurgijns der schepen mee werden geconfronteerd.
Het
leven aan boord van de zo imposant uitziende schepen was ten tijde van
de roemruchte admiraal De Ruyter onvoorstelbaar zwaar.
Aanvulling
door Dr J.N. Keeman, Chirurg.
Tijdens de Ruyter's laatste zeeslag bij de Etna op 22 april
1676, trof een kanonskogel het dek waar de Ruyter op stond. Hoewel het
niet zeker is dat de Ruyter zelf ook door die kogel getroffen werd,
staat vast, dat hij terneerstortte en naar een dek lager viel, waarbij
hij een open onderbeenbreuk opliep. Het was in die tijd gebruikelijk
om open fracturen opgelopen in slagveldcondities te behandelen door
amputatie, De vlootarts, Mannart, heeft echter besloten de breuk
conservatief te behandelen, omdat die niet door een schotverwonding
was veroorzaakt. Desondanks ontstond na vier dagen een ontsteking in
de wond, die zich geleidelijk aan uitbreidde, Op 29 april des avonds
om half tien overleed Michiel Adriaenszoon de Ruyter in aanwezigheid
van zijn kapiteins. Het
lichaam werd ter plekke gebalsemd, maar, zoals later bleek, was die
balseming onvoldoende om de ontbinding geheel te stoppen.
De
thuisrteis a/b van zijn Vlaggenschip, de "Eendragt"
gaf nog veel problemen omdat de Staatse vloot behalve door de Franse
vloot, ook nog door de dysenterie werd lastiggevallen.
Op 30
januari 1677 kwam het stoffelijk overschot aan te Hellevoetsluis, van
waar hij werd overgebracht naar zijn huis te Amsterdam. Op 18 maart
1677, bijna één jaar na zijn overlijden, werd zijn kist bijgezet in
de crypt van het praalgraf in de Nieuwe Kerk aan de Dam te
Amsterdam.
 |
 |
| De
begrafenisstoet was de langste die Amsterdam ooit gekend heeft. |
De
Overlijdensannonce. |
Terug
naar de vorige pagina
|