B
I O G R A F I E
Voor
de onderstaande tekst werd geput uit vrijwel alle bekende biografiën
van de Ruyter, w.o. vrij veel uit "De Rechterhand van
Nederland" door Dr R.B. Prud'homme van Reine (2000), en
"Leven en Bedrijf van de Heere M.A. de Ruyter"
door Gerardt Brandt,(1687) voorts uit werken van J.J Belinfante,(1844) P.J.
Blok,(1923) alsmede uit
publicaties van VAdm A v.d. Moer, VAdm H.A. van Foreest, J.F. van Dulm
RMWO, C.J.W. van Waning.
Voor de beschrijving van het deel van zijn leven na de verhuizing naar
Amsterdam, werd de feestrede van de heer Prud'homme van Reine
geciteerd.
Deze feestrrede sprak hij uit voor H.M. Koningin Beatrix, op 23 maart
2007, bij de officiële opening van het Jubileum
in het de
Ruyter-jaar 2007.
DE
ZEEUWSE TIJD (1607 - 1654).
Michiel
Adriaenszoon (later de toevoeging 'De Ruyter' voerend), Nederland's -
en misschien wel 's wereld's - grootste vlootvoogd aller tijden, zou
als onbekend man de geschiedenis en de vergetelheid zijn ingegaan als
hij er in 1652 in geslaagd was zijn voornemen de zee vaarwel te
zeggen, uit te voeren. Hij was weliswaar een uitstekend zeeman, maar
zo waren er velen en die gingen allen naamloos de geschiedenis in.
Het zijn de activiteiten die hij na 1652 ontplooide die hem zijn
internationale faam bezorgden. Dat wij nochtans nog iets van hem weten
uit de periode voor zijn roem als admiraal, is te danken aan zijn
biograaf, dominee Gerard Brandt, die in zijn boek van 100 bladzijden
slechts 20 wijdde aan de tijd voor Michiel in 1652 - naar hij zelf
dacht slechts tijdelijk - weer in 's Lands dienst trad, en nog eens 50
bladzijden aan de tijd van de Eerste Engelse Oorlog en aan de tijd
voor hij in 1655 naar Amsterdam verhuisde. Daarom bevinden de meeste
verwijzingen naar deze periode van zijn leven zich ook in het Zeeuws
Maritiem MuZEEum, te Vlissingen. (info@muzeeum.nl)
 |
De latere "Redder van het vervallen Vaderlandt die twee grote
Koninkrijken tot driemaal toe de trotse Vlagh deed strijken"
was het vijfde kind van een bierdrager en poorter van Vlissingen,
"kleyne luyden" dus. Aanvankelijk zag zijn toekomst
er niet zo rooskleurig uit. Hij was waarschijnlijk een recalcitrante
kwajongen - Bekend is dat hij als 10-jarige de torenspits van de kerk
beklom - wiens baldadigheid er toe leidde dat hij van school gestuurd
werd en aan het werk moest. Het werd 'draaiersjongen' voor een
weekloon van zes stuivers, in de touwslagerij van de Gebr. Lampsins,
 |
"In
een blauwgeruiten kiel
draaide hij aan 't grote wiel..........."
(Zeeuws Maritiem MuZEEum, Vlissingen,
Eigendom Koninklijk Zeeuws Genootschap der Wetenschappen.)
Foto: Collectie
Inst. voor Mar.Hist., Marinestaf, Den
Haag.)
|
een Vlissings reders geslacht, met wie zijn toekomst nauw verweven zou
blijven, en dat hem ook later toen hij al schipper was nog in dienst
had. Zijn tweede dochter, Cornelia huwde zelfs een Johan De Witte,
zoon uit het geslacht Lampsins. In dat eerste begin leek die
verwantschap nog heel ver............ hij werd ontslagen.
Eindelijk, in 1618, elf jaar oud, zette hij zijn eerste stap naar
"waar syn hart naar jookte" de zee. Hij werd
hoogbootsmansjongen aan boord van een schip - "De Haen"
van diezelfde Lampsins.
(Zie: Schepen
waar de Ruyter op voer.)De
Nederlandse Gouden Eeuw diende zich aan,
De jonge Michiel groeide op
in een land dat toen de grootste geesten van haar tijd voortbracht:
Maarten Tromp, Constantijn Huygens, Johan van Oldenbarneveldt,
Rembrandt, Simon Stevin, Plancius, Sweelinck, Leeghwater, Frans Hals,
Hugo de Groot, Coen, Vondel, en vele anderen. De atmosfeer in het
rebellerende wingewest van Spanje (we waren nog niet eens
onafhankelijk noch internationaal erkend) was ongebreideld energiek op
elk gebied en de zeevaart met de recente ontdekkingsreizen en de
aanstaande expansie van de economische invloed was in die tijd dé
"spits"industrie bij uitstek, zoals de technische industrie
in het eind van de negentiende eeuw en de electronische industrie in
onze tijd. Michiel voer als bemanning van een bewapende - en dus ook
veelvuldig vechtende - koopvaarder, voorzien van een kapersbrief, vaak naar Zd.Amerika (Brazilië)
en naar het Caraïbische gebied.
Zijn ervaring in de gewapende conflicten deden hem als vijftienjarige
besluiten in dienst te treden in het leger van Prins Maurits als
busschieter. Hij was bereden, want hij had zelfs zijn eigen paard
gekocht. Zijn moeder voerde de bijnaam 'de ruiter' naar haar broer,
dus een oom van Michiel, die als ruiter in het leger van de Prins
dienst deed en die Michiel waarschijnlijk onder zijn hoede had, en wiens
bijnaam hij zelf later ook ging voeren. Hoewel hij buit behaalde,
keerde hij na deze ene keer als landsoldaat toch terug naar zee,
ditmaal bij 's Lands vloot als hoogbootsmansmaat - onderofficier dus,
en later weer naar de koopvaardij.
Hij nam deel aan vele gevechten en werd eenmaal door een piek aan het
hoofd gewond. De enige verwonding die hij - vóór de fatale in 1676 -
ooit opliep. Hij werd ook eens gevangen genomen, maar wist te
ontsnappen en met twee lotgenoten door Frankrijk trekkend, Nederland
weer te bereiken.
Hij klom verder op in rang zodat hij in 1631 meende een gezin te
kunnen stichten. Hij huwde voor de eerste maal, binnen het jaar stierf
zijn vrouw in het kraambed en direct daarna zijn dochtertje terwijl
hij op zee was.
Uit het begin van de dertiger jaren zijn aantekeningen bewaard
gebleven waaruit bleek dat hij zich verdiepte in de theoretische
mathematische kant van de navigatie ter zee. Hij klom alsmaar op,
begon voor het eerst de bijnaam van zijn moeder: De Ruyter, te voeren;
In
1633 monstert Machghyel Adriaensen Ruyter als stuurman op de
walvisvaarder "De Groene Leeuw" van de Groenlandtsche
Compagnie onder schipper Jochem Jansen. Hij is dan 26 jaar met 15 jaar
loffelijke staat van dienst als zeeman. Bekwaam, moedig maar niet
onbezonnen, gelovig en bovenal, betrouwbaar. Op 8 mei 1633 zeilt
"De Groene Leeuw" uit, tesamen met drie andere
Groenlandvaarders. Of de Ruyter in 1634 opnieuw ter walvisvaart is
gegaan is niet zeker. Uit het journael van stuurman de Ruyter blijkt
dat hij in 1635 opnieuw op de "De Groene Leeuw" onder
schipper Jochem Jansen ter walvisvaart is gevaren. Het wordt een reis
vol tegenslagen. Eerst storm en drijfijs en daarna ingesloten in het
ijs. "Wij laghem so vast als of wij daarin ghemetselt
waren" schrijft de Ruyter nuchter in zijn journael.
Daarna was hij enige tijd supercargo en factor voor
Lampsins in Dublin van deze tijd is helemaal niets bekend over zijn
verblijf daar.
Op 1 juli 1636 huwde hij voor de tweede maal. Zijn
bruid was Neeltje Engels, en in 1637
kreeg hij zijn eerste zoon, Adriaen (die al in 1655 zou sterven).
Michiel is dan een welgesteld burger. Hij is matig en spaarzaam en
heeft een zeer realistische handelsgeest. Bekend is dat hij op 6 mei
1633, drie jaar voor zijn huwelijk met Neeltje, voor niet minder dan
zesduizend guldens rentedragende stukken (obligaties) kocht. Neeltje
was dus een gegoede burgeres, die echter naast de zorg voor haar
jonge kinderen (Adriaen en later, Cornelia, Alida en de jongste:
Engel) in de lange tijden van afwezigheid van haar man ook zijn zaken
moest behartigen. Een taak die marinevrouwen overal ter wereld tot in de
eenentwintigste eeuw nog
steeds voor hun mannen vervulden.
In 1637 diende hij tijdelijk als kaper-kapitein in een klein smaldeel
van twee schepen dat door zijn reder Lampsins was ingericht om de
Duinkerker kapers aan te vatten. E.e.a. had weinig success en de
Ruyter kreeg zelfs - voor de eerste en enige keer - last met 'morrend'
zeevolk. Zijn latere bijnaam "Bestevaer" die hij als het
ware van Maarten Tromp 'overnam' getuigd van een bevelhebber die
geliefd was bij zijn ondergeschikten. In 1640 deed hij met het schip
"De Vlissingen", waar hij als schipper op voer, een reis naar Brazilië
en sloot te Lissabon met een collega een overeenkomst voor
samenwerking en gedeelde winsten. Dat lukte niet. Hij voer alleen door
naar Pernambuco, de residentie van Graaf Johan Maurits van Nassau, de
landvoogd van de Westindische Cie. Hij bracht hout en suiker uit
Brazilië, tabak uit de Antillen en brandewijn uit La Rochelle mee
naar huis.
Michiel de Ruyter was inmiddels een gezeten burger en poorter van
Vlissingen geworden, een man van wie men lovend sprak.
In die tijd deed zich een gebeurtenis voor, die als voorloper van zijn
latere loopbaan als vlootvoogd kan worden gezien. In 1640 was Portugal
tegen de Spaanse overheersing in opstand gekomen en de Staten-Generaal
besloten de Portugese koning met een vloot van 20 schepen te helpen.
Zeeland zou 4 schepen leveren. De rederij Lampsins liet een schip,
"de Haze", 360 ton, als oorlogsschip inrichten met 26 kanons en 90 man
bemanning. Frederik Hendrik benoemde Michiel als kapitein. Bovendien
werd hij voor die tocht ook aangewezen als Schout-bij-Nacht. Die
functie werd aan een zeer betrouwbare kapitein gegeven want de
Schout-bij-Nacht (Schout = politiecommissaris) moest voorkomen dat
lafhartige kapiteins zich aan de strijd onttrokken of
"s
nachts" er zelfs vandoor gingen vandaar dat deze 'onder'admiraal
altijd de achterhoede afsloot, in het Engels heet zo'n officier een
rear-admiral en in het Frans een contre-amiral, het was toentertijd
nog geen rang maar een functie met gezag.
Hij was de derde man in de vloot, na Admiraal Arnout Gijsels en Vice-Admiraal
Tolck. Het bewijst dat hij als 37-jarige al als een zeer
ervaren, bekwaam maar vooral betrouwbaar zeeman werd beschouwd. Toen
na allerlei oponthoud en oefenings-manoeuvres de vloot op 12 augustus
koers zette naar Portugal schreef de nieuwbakken Schout-bij-Nacht een
brief aan de Staten van Zeeland:
"Ick sal my als een heerlyck capeteyn in myn harte gedraghen, in
de hoope, dat Godt het werck, daer wy om uyt syn gesonden, sal segenen,
tot here van ons lieve Vaderlandt."
Deze zin kan worden beschouwd als het richtsnoer voor zijn gehele
latere roemruchte carrière bij 's Lands vloot en zal worden afgesloten
met de even beroemde laatste officièle woorden tot de Staten van
Holland, die hij in 1676 uitsprak toen hij uitvoer voor de tocht
waar hij zou sneuvelen: "Waer de Heeren Staten hun Vlagh vertrouwen
sal ick meyn Leven waaghen". Over deze missie en de weinig
glorierijke Slag bij
St Vincent
kan elders meer worden vernomen.
 |
Gravure
door M. Mouzijn, uit 1659.
naar een prent door G. van den Eeckhout, uit 1654.
dit is de oudst bekende afbeelding van de Ruyter,
zo moet hij er ongeveer in die tijd hebben uitgezien. |
Na deze teleurstelling ging De Ruyter weer bij de koopvaardij varen.
Aanvankelijk bij de Heren Lampsins, maar in 1644 als schipper/eigenaar.
Hij had zijn eigen schip, De Salamander, 400 ton en een bemanning
van 40 tot 50 eters, gekocht en voer en gedurende 8 jaar mee op
West-Indië en Barbarije (Zie verwijzing onder
De Salamander).
Op 15 september 1650 treft hem een zware persoonlijke slag. Neeltje
Engels, moeder van zijn 4 jonge kinderen, overlijdt. Hij wil de
zee vaarwel zeggen. Zo denkt Annetje van Gelder, een kapiteins-weduwe,
er ook over en op 8 januari 1652 trouwt michiel voor de derde maal.
Annetje zal hem nog twee kinderen, Anna en Margaretha, schenken.
Lang
mocht die rust echter niet duren.
Inmiddels
groeide in Engeland de naijver op de grote bloei die de Zeven Provinciën
doormaakte. Dit kon niet anders dan tot moeilijkheden leiden. Al
sedert de dagen van de Virgin Queen (Elisabeth I.) waren Engelsen en Nederlanders op
allerlei gebied elkaars concurrenten. Oliver Cromwell, was Protector
van de Engelse staat geworden en streefde een nauwe binding tussen de
beide protestantse staten na. De Nederlanders, die goed aanvoelden
waar dat op zou neerkomen, wensten op die suggesties niet in te gaan.
Een tweede mogelijkheid voor de Engelsen was natuurlijk om de
concurrent op directe wijze uit te schakelen, dan behoefde er niet te
worden gedeeld. De Acte van Navigatie
("The Act for Increase of
Shipping , and Encouragement of the Navigation of this Nation")
van 1651 beoogde de macht van de Hollandse koopvaart te breken, o.a.
door haar niet onaanzienlijke handel met Engeland practisch uit te
sluiten. Dit verscherpte de tegenstellingen.
Na het
bekende vlaggenincident tussen de admiraals Maerten Harpertszoon Tromp
en Blake brak in 1652 de Eerste Engelse Oorlog uit. 's Lands vloot
werd in allerijl versterkt. Om meer evenwicht te brengen in de
verdeling van de vlagofficiersfuncties over de vijf admiraliteiten
werd het noodzakelijk geacht een extra Zeeuw en een Fries aan te
wijzen. Voor de Zeeuw lieten de Staten van Zeeland het oog
aanvankelijk op de bekende en kundige admiraal Witte de With vallen,
Maar deze man was zo weinig populair bij de andere officieren en
manschappen (het was een zeer moeilijk man), dat men de keus liet
vallen op de
schipper in ruste Michiel de Ruyter.
Hem was trouwens tevoren al verzocht zich
naar Calais te begeven om daar matrozen voor de admiraliteit te
werven. "Zoo hy den dienst mocht excuseeren" - daar
werd dus een beetje op gerekend - voor het geval de Ruyter toch zou
weigeren, dacht men aan Cornelis Evertsen,
de broer van de Zeeuwse vice-admiraal Johan
Evertsen. En inderdaad, de
Ruyter toonde zich "gantsch ongeneegen" De heren hielden
echter aan en beweerden, dat hij, "die so groote bequaamheit
hadt om 't Land dienst te doen, sich als een goedt burger en
liefhebber des vaderlandts, nu hy daartoe werd aangezocht, niet
behoorde 't zoek te maaken: ook gaf men voor dat het maar om één
"toght" zou te doen zyn.
Het
is bekend dat het niet bij deze ene "toght" bleef,
Eindelijk
liet hij zich - na enig beraad en overleg - "door het hardt
aanstaan der Heeren beweegen." Hiermee zette Michiel
Adriaenszoon De Ruyter, een bierdragerszoon uit Vlissingen, die als
zeeman, koopvaarder en "Schipper naast God" een succesvolle carrière achter zich had maar die buiten de kring van
zijn dierbaren geen grote bekendheid genoot, zijn eerste stap op de
weg naar een nieuwe loopbaan, die hem tot de grootste militair ter zee
zou maken die de wereld ooit kende.
DE
AMSTERDAMSE TIJD (1655 - 1676).
Hij betrok met zijn gezin
een pand aan het IJ, kijkend op de scheepswerven en het 's Lands
Zeemagazijn, waar thans het Scheepvaartmuseum gevestigd is. Hij meed
de fraaie, deftige herenhuizen aan de grachten, waar "zijns
gelijken" de stadsbestuurders en patriciërs, zich gevestigd
hadden, De Ruyter mag dan een vooraanstaand en aanzienlijk man
geworden zijn, Grootburger van Amsterdam, hetgeen hem dezelfde status
gaf als het stadsbestuur, in zijn hart was hij de eenvoudige
Vlissingse jongen gebleven, die een afkeer had van hautain gedrag, en
zich tussen. "De hooge Heeren" niet op zijn gemak
voelde. Hij werd regelmatig op straat gezien, als hij te voet naar de
kerk of naar de werven ging, en zijn huis was in vele opzichten naast
woonhuis tevens een magazijn voor scheepsbenodigdheden.
In dit
verband is het aardig een citaat van de Ruyter te vermelden, dat H.M.
Koningin Wilhelmina in fraai gecalligrafeerde letters boven haar bed
had hangen,:
Ïck wil van niemand geroemt noch opgehaalt worden, als
ik slechts mijn gemoedt magh voldoen, en mijn orders uitrvoeren".
Dan
volgen jaren waarin De Ruyter veel konvooireizen maakte naar de
Middellandse Zee, die kort gezegd neerkwamen op vlagvertoon als
machtsbetoon tegen kapers en piraten die deze wateren onveilig
maakten voor Nederlandse koopvaarders. Hij toonde zich bekwaam in
het sluiten van vredesverdragen met de machthebbers in de zogenoemde
Barbarijse staten, te weten Marokko, Algiers en Tunis.
Tegelijkertijd kocht hij in deze landen veel Nederlandse slaven
vrij. Tijdens een reis naar de Oostzee in 1659 steunde hij ter
bescherming van de Nederlandse handelsbelangen de Denen in hun
oorlog met Zweden. Hij veroverde toen het eiland Funen en de stad
Nyborg. De Deense koning was hem hiervoor zo dankbaar dat hij De
Ruyter in de adelstand verhief, een onderscheiding waarop De Ruyter
zich overigens nooit ostentatief zou beroemen.
 |
 |
"Buitenkant"
Het Nieuwe Waalseiland.
thans:
Prins Hendrikkade 131 |
"s
Lands Zeemagazijn"
Nederlands Historisch Scheepvaartmuseum |
Na 1660 maakte De Ruyter opnieuw
enige konvooitochten naar de Middellandse Zee. In 1664 voer hij in
opdracht van de Staten-Generaal in het geheim door naar de westkust
van Afrika, waar de Engelsen zonder oorlogsverklaring diverse forten
op de Nederlanders hadden veroverd. De Ruyter heroverde een flink
aantal forten en stak in opdracht de Atlantische Oceaan over, waar
hij de Engelsen in de Caraiben en langs de Noord-Amerikaanse kust
schade toebracht. Inmiddels was de Tweede Engelse Oorlog gestart met
de voor de Nederlandse vloot rampzalig verlopen slag bij Lowestoft.
Toen De Ruyter met zijn schepen was teruggekeerd en was benoemd tot
luitenant-admiraal en opperbevelhebber van de vloot keerden de
kansen. De Vierdaagse Zeeslag in juni 1666 was de eerste grote
overwinning van de Nederlanders in de Engelse oorlogen. Maar beslist
was de oorlog daarmee niet. In augustus 1666 sloegen de Engelsen
hard terug in de Tweedaagse Zeeslag
en kon de nederlaag alleen
worden beperkt door een voortreffelijk door De Ruyter geleide
terugtocht. Het sluitstuk van de oorlog maakte de Nederlandse
overwinning echter compleet: tijdens de legendarische Tocht naar
Chatham in 1667 veroverde en vernietigde de Nederlandse vloot onder
De Ruyter een groot aantal belangrijke Engelse oorlogsbodems,
waaronder de Royal Charles, het voormalige Engelse vlaggenschip. In
Breda kon vervolgens een voor de Nederlanders gunstige vrede worden
gesloten.
Vijf jaar
later zou er nog eens oorlog uitbreken, de Derde Engelse Oorlog.
Terwijl Engeland ter zee aanviel, vielen vanuit het zuiden en oosten
Franse, Munsterse en Keulse troepen het Nederlandse grondgebied
binnen.
Het
Rampjaar 1672 was aangebroken:
Het land was reddeloos,
De regering radeloos en
De bevolking redeloos.
Maar
De Ruyter en zijn vloot hielden stand. Bij Solebay
weerstond hij in
juni 1672 een gecombineerde Engels-Franse vloot, waardoor dat jaar
het gevaar van een landing van soldaten vanaf de zeezijde was
afgeweerd. Tweemaal vond in juni 1673 een nieuw treffen plaats met
de Engels-Franse vloot op de vlakte van Schooneveld, ten westen van
Walcheren. De Ruyter gaf voortreffelijk leiding
aan zijn "kleen hoopken", zoals de naar verhouding
zwakke Nederlandse vloot werd omschreven, en wist met briljante
tactische manoeuvres zijn tegenstanders te verslaan. De apotheose
van de Engelse oorlogen volgde in augustus van datzelfde jaar in de
slag bij Kijkduin. Voor de derde en laatste maal deed de geallieerde
vijandelijke vloot een poging om een landing op de Hollandse kust te
forceren. Andermaal sloeg De Ruyter de schepen af en dwong hij ze
tot de aftocht. Het gevaar van
de zeezijde was daarmee geweken. Engeland sloot in februari 1674 in
Westminster vrede.
Met
het einde van de Engelse oorlogen waren de gouden jaren voor de
Nederlandse vloot en daarmee ook voor Michiel de Ruyter voorbij. De
oorlog met Frankrijk duurde voort. Na een mislukte onderneming tegen
het Franse Caraïbische eiland Martinique in 1674 werd De Ruyter
het volgende jaar met een veel te zwakke en slecht uitgeruste vloot
naar de Middellandse Zee gestuurd. De Spaanse koning, bondgenoot in
de strijd tegen Frankrijk, had steun gevraagd in de strijd om Sicilië.
De Spaanse vloot bleek tegen de verwachting in nauwelijks in staat
te zijn om de Nederlandse schepen te steunen. Op 22 april 1676 werd
De Ruyter dodelijk gewond aan zijn been in gevecht met de Franse
vloot tijdens de slag bij Syracuse, in het zicht van de Etna. Een
week later stierf hij aan zijn verwondingen.
Na
zijn dood werd De Ruyter ge‰erd met een groot marmeren praalgraf
in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Tijdens zijn leven had hij al een
groot aantal geschenken ontvangen: een gouden beker, een zilveren
lampetkan, de complete grote atlas van Joan Blaeu, gouden medailles
en prachtig versierde eresabels, het kon niet op. Bewonderaars
hadden zijn geschilderde, geëtste of gegraveerde portret aan de
wand hangen. Het geschilderde portret van De Ruyter hing ook in de
vergaderzaal van alle vijf admiraliteitscolleges, in Amsterdam,
Rotterdam, Hoorn, Middelburg en Harlingen. De Ruyter was een bij
uitstek geliefde en populaire zeeheld geworden. Ook in proza en
poëzie werd zijn naam hemelhoog geprezen. Bijvoorbeeld door
dominee Gerard Brandt aan het eind van 1673:
Aenschouw
den Heldt, der Staeten rechterhandt,
En redder van 't vervallen vaderlandt;
Die in ‚‚n jaer twee groote koningkrijken
Tot driemael toe de trotse vlag deedt strijken;
Het roer der vloot, den arm daer Godt door stree
Door hem herleef de vrijheid en de vreˆ
Gerard
Brandt zou twaalf jaar later een grote biografie van Michiel de
Ruyter publiceren, die de zeeheld onsterfelijk zou maken. Vele
details en anekdotes uit het leven van de vlootvoogd zijn dankzij
deze levensbeschrijving bekend gebleven.
Michiel
de Ruyter was een man van de praktijk. Bijna zijn hele leven voer
hij in zeer verschillende hoedanigheden en bij uiteenlopende takken
van de scheepvaart. Het bezorgde hem een weergaloze ervaring en een
ongeëvenaarde kennis van zeezaken. De Ruyter blonk bij de marine
vooral uit door zijn enorme kwaliteiten als opperbevelhebber. Hij
oefende zijn manschappen als nooit tevoren was gebeurd en kon zijn
macht beter dan enige andere commandant te delegeren. Van zijn korps
zeeofficieren en bemanningen wist hij een eenheid te smeden die
uniek genoemd mag worden. Een grote prestatie in een tijd waarin
vijf admiraliteiten, met elk hun eigen vlagofficieren, de dienst
uitmaakten. In samenwerking met raadpensionaris Johan de Witt en
later met prins Willem III, bouwde hij een ongeëvenaard sterke
Nederlandse marine op. Hij had daarbij oog voor noodzakelijke
hervormingen, zoals de oprichting van het Korps Mariniers en de
verbetering van het geschut op de oorlogsschepen.
Ongetwijfeld
was hij een charismatisch opperbevelhebber. In de regel schijnt hij
zijn bemanning te hebben toegesproken als een vader zijn kinderen.
Het bootsvolk was blij wanneer het de kans kreeg aan boord van De
Ruyter te dienen. Niet voor niets kreeg De Ruyter de koosnaam 'Bestevaer'
(grootvadertje), die alleen was weggelegd voor een bevelhebber die
bij uitstek geliefd was. Het mooiste voorbeeld van zijn
bereidwilligheid de medemens te helpen is de enorme inspanning die
hij zich getroostte voor de vrijlating van 26 Hongaarse
predikanten,
die vanwege hun godsdienstige overtuiging als slaven op galeien in
Napels te werk waren gesteld. Het is een gebeurtenis die ook nu nog
jaarlijks wordt herdacht.
Wat
voor De Ruyter zelf telde waren de zee, de bijbel en zijn familie.
Hoewel hij goed verdiende en er nauwlettend op toezag dat hij in
financieel opzicht niets tekort kwam, interesseerde rijkdom hem
niet. De eenvoudige inrichting van zijn huis toont dit aan. De
kostbaarheden die hij daar in de pronkkamer bijeen had gebracht
waren voor een belangrijk deel geschenken die hij tijdens zijn
loopbaan had ontvangen. Veel geld werd belegd en kwam na zijn dood
aan zijn kinderen ten goede. Teken van zijn grote menslievendheid
waren de zakken met geld die bij zijn dood in zijn huis stonden, en
bestemd waren voor de diaconieën in Amsterdam en Vlissingen.
Vandaag
herdenken wij dat het op 24 maart 400 jaar geleden is dat deze
bijzondere vlootvoogd in Vlissingen werd geboren. Zijn standbeeld in deze stad
houdt de herinnering aan hem levend, zoals ook het marinefregat dat
zijn naam draagt dat doet. De Hr. Ms. De Ruyter is dit jaar speciaal
in het nieuws omdat zij sinds kort een nieuwe commandant heeft, de
eerste vrouwelijke bevelvoerder aan boord van een fregat van de
marine. Precies 400 jaar na zijn geboorte komt de naam De Ruyter
weer in het nieuws bij een belangrijke marinehervorming. Michiel de
Ruyter zelf zou daar vast ook zeer gelukkig mee zijn geweest.
 |
|
| Familieportret,
v.l.n.r. De
13-jarige Engel De Ruyter, zoon uit het
tweede huwelijk van de
admiraal, dan, zijn derde
echtgenote Anna van Gelder, achter
haar, haar zoon
Jan, In 't midden dochter Alida. De 3 kinderen
zijn
resp. Margarethe en Anna (overl. 1666) geboren uit
de
Ruyter's derde huwelijk, en kleinzoon Cornelis
de Witte; dan de
volwassenen Johan de Witte en
diens echtgenote, dochter Cornelia
De Ruyter.
|
Aanvankelijk werd aangenomen dat het schilderij uit 1662 stamt,
R. Prud'homme van Reine meent echter dat het in 1667 vervaardigd
is uit een aantal bestaande portretten, al blijft het dan
vreemd, dat de 1662 geboren kleinzoon Michiel de Witte, dan op
het schilderij ontbreekt, |
Terug
naar de vorige pagina
|