|
S
O L I D E O
G L O R I A.
Over de betekenis van de
godsdienst in het leven van admiraal de Ruyter.
door A. van der Moer, met vele citaten uit de biografie van Gerard
Brandt.
"A
TOI LA GLOIRE" (voor
het beluisteren van deze muziek heeft u een Apple Quicktime
plugin nodig, die u hier
gratis kunt downloaden) (Händel,
canticorum).
Uitgevoerd door het schoolkoor van het Greijdanus College te Zwolle.
Inleiding.
Op 22 maart 1957, tijdens de herdenking van de 350ste geboortedag
van de Ruyter, werd het initiatief genomen tot het vervaardigen van
een gebrandschilderd gedenkraam in de Sint Jacobskerk te Vlissingen.
In 1966, het herdenkingsjaar van de
vierdaagse zeeslag, werd het werk van de glazeniers Pieter A.H. Hofman
en W.L. Wagemans aldaar onthuld, De titel van deze pagina: SOLI DEO
GLORIA, duidt op het Godsvertrouwen dat de Ruyter bovenal tot
leiddraad in zijn leven en handelen diende en dat wordt ook in het raam vele malen gesymboliseerd, niets kan Michiel Adriaenszoon de Ruyter beter
karakteriseren. Hij diende God voor alles.
(Nadere
bijzonderheden over het gebrandschilderde raam vindt U op de website
www.sintjacobskerk.nl )
De religie speelde in zijn leven een
overheersende rol. Hij was een toegewijd lid van de Gereformeerde Kerk
en een trouw kerkganger. Zijn rechtzinnige opvattingen maakten hem
echter niet tot een scherpslijper. Dat gold evenzeer voor zijn gezin.
Vandaar ook dat de nabestaanden er geen bezwaar in zagen dat de door
hen aangezochte biograaf de meer vrijzinnige Remonstrantse richting
was toegedaan. De met de familie bevriende predikant Gerard Brandt
(1626-85) was destijds een befaamd wetenschappelijk schrijver. Ds.
Brandt heeft zich op voortreffelijke wijze van de taak die hij op zich
nam gekweten. Het spreekt vanzelf, dat de Godgeleerde auteur veel
aandacht besteedde aan de religieuze opvattingen van de admiraal.
Zijn leven vormt een grote
getuigenis van een sterk geloof waarmee slechts weinigen worden
gezegend en dat in zijn geval dan ook bergen heeft verzet. In Brandts
biografie komen talrijke passages voor waaruit zijn vroomheid en
Godsvertrouwen duidelijk blijken. Ter illustratie daarvan volgt
hieronder een bloemlezing. Alvorens aan de eigenlijke
levensbeschrijving te beginnen geeft de auteur een korte inleiding,
die als volgt eindigt:
Doch onder al wat hieronder
wonderlyk en lofwaardig was, zal dit het grootste wonder zyn, en dat
den meesten lof verdienen, dat hy, die bij anderen zo groot werdt
geacht, by zichzelven zoo kleen was: achtende dat hem de minste eere
niet toequam van al d'overwinningen, onder zyne vlagh bevochten: en
Gode alleen en in 't geheel d'eere toeschryvende van al zijn bedryf en
geluk.
Tocht naar Portugal 1641/42.
Na 60 jaar Spaanse overheersing
kwamen de Portugezen in 1640 in opstand. De Republiek steunde de
Portugezen tegen de oude erfvijand met een vloot van twintig schepen.
Onder de vier schepen die Zeeland daarvoor moest leveren bevond zich
de tot oorlogsschip omgebouwde koopvaarder "De Haze" onder
bevel van schipper de Ruyter, die voor die expeditie behalve tot
kapitein van 's Lands schip "De Haze" tevens werd aangesteld
tot Schout-bij-Nacht. Voor hij uitvoer schreef hij een brief aan de
Zeeuwse admiraliteit, waarin de volgende zinsnede voorkomt:
Ick sal my als een heerlyck
Capeteyn in myn harte gedraghen, in de hoope dat Godt het werck daer
wy op uet syn gesonden sal segenen, tot heere van ons lieve vaderlandt.
Deze woorden kan men wel beschouwen
als het richtsnoer dat hem in zijn hele verdere leven als vlagofficier
in 's Lands vloot heeft geleid.
Tijdens de Engelse oorlogen.
In 1652 voor de tweede maal als
bevelhebber ter zee in 's Lands dienst getreden kreeg
vice-commandeur de Ruyter als eerste
opdracht 60 koopvaarders door het Kanaal naar buiten te konvooieren.
Op 25 augustus werd zijn schepsmacht nabij Plymouth bedreigd door een
Engelse vloot, die aanzienlijk sterker was dan het Nederlandse
escorte, maar niettemin werd afgeslagen, zodat de koopvaardijschepen
ongemoeid bleven. Zijn reactie op dit succes luidde:
Als d'almachtige Godt
kloekmoedigheit wil geven, dan verkrygt men d'overwinning. Dit werk is
van Godt zoo bestierdt, zonder dat wy daar reeden van konnen geven.
Kort nadat hij in 1665 was benoemd
tot opperhooft van 'sLands vloot werd de admiraal door een
zegsman van Brandt in een Rotterdamse herberg afgeluisterd toen hij op
een morgen in zyne slaapkamer (meenende van niemant gehoort te
worden) Godt, naar zyne gewoonte, met vierigen gebeede aanriep, en
zich onder andere van deeze, of deezen gelyke, woorden diende, Geef my,
Heer, een deemoedigen geest; op dat ik my op myne verheffing niet
verhoovaardige. Sterk my in 't bedienen van myn hoogwichtig ampt.
Verleen my een heldenkert, en laat my zoo deerlyk niet sneuvelen, als
myn voorzaat (Jacob van Wassenaer, Heer van Obdam, wiens
vlaggenschip op 13 juni 1665 tijdens de Slag bij Lowestoft in de lucht
vloog en die daarbij was omgekomen): maar spaar my ten dienste en
nut van 't vaderlandt.
 |
Behalve in Rotterdam zou
hij dit gebed ook uitgesproken kunnen hebben in Vlieland, waar
hij volgens sommige bronnen, een buitenverblijf bezat, omdat de admiraliteit van Hollandt
en West-Frieslant daar vaak vergaderde en waar hij geregeld ter kerke
ging in het kleine kerkje dat daar nu nog staat, en waarin
een voor hem bestemde kerkbank staat |
In die kerk hangt een
fraaie kroonluchter, die naar verluidt, door de Ruyter werd
geschonken. |
 |
Toen op 14 juni 1666, de laatste dag
van de vierdaagse zeeslag, de achtervolging van seer confuys
naar de thuiswateren wijkende Engelse vloot moest worden opgegeven
achtte de admiraal de oorzaak daarvan een opkomende mist:
een openbaar werck van Godt Almachtigh die den vyant alleen
voor synen hoogmoedt had willen tuchtigen, niet diens ondergang
voltooien.
Na de Tweede Engelse Oorlog
(1665-67) zag het er naar uit, dat de admiraal enige tijd rust zou
worden gegund. Brandt grijpt deze luwte aan voor een beschouwing over
het persoonlijk leven. Hij vermeldt, dat de Engelse ambassadeur Sir
William Temple in een verhandeling over de Republiek aandacht schonk
aan 't geen den Staat groot maakte en deedt toenemen.Hij telde
onder d'oorzaaken van haaren opgangk ook de nedrigheit en zedigheit
der Magistraaten en geeft als voorbeeld daarvan een uitvoerig
relaas over de eenvoudige levenswijze van zowel admiraal de Ruyter,
als van raadpensionaris Johan de Witt (1625/72) Een andere getuigenis
betrekt Brandt van de Prins van Monte Sarchio, een Spaanse admiraal,
die zich, hem thuis bezoekende, verbaast over de eenvoudige woning van
zijn Nederlandse collega. Na het aanhalen van deze beide vreemdelingen
volgt een eigen beschouwing van de biograaf::
Die nedrigheit en burgerlykheit
verhief hem te hooger in d'oogen van alle verstandigen. Zyn verder
leeven verstrekte den burgeren een spieghel van allerley Christelyke
deugden, jegens vrienden heusch en jegens vreemden vriendelijk, jegens
ellendigen meedoogent, en inzonderheit godtvruchtig in al zynen
wandel: vindende zyn hoogste vermaak in de kerken en in 't hooren van
stichtelyke predikatien, niet alleen des Sondaghs, maar ook in de
week. Den meesten tydt van dagh besteede hy in 't leezen der heilige
Schriften, en men zagh hem zelden andere boeken in de handt hebben.
Zomtijds zat hy uuren lang by zyne huisvrouwe en een nicht, terwijl te
met linnen te naaijen bezich waren, en las haar eenigh capittel uit
het goddelyck woord met luider stemme voor; of zong met haar eenige
Psalmen: hebbende de bequaamheit van vrij wel te zingen, en een goede
stem. Voorts onthieldt hy zich van alle quaadt gezelschap, en toonde
zich een groot vyandt te zyn van dronkenschap en andere overdaadigheit:
zich vernoegende met gemeene burgerlyke en zeemans spyze. Dus braght
hy zyn tydt geduurende de vreede door, wensende dat ze lang moght
duuren; ondat hy zyne oude daagen (want hy bereikte nu den ouderdom
van eenenzestig jaaren) gerustelyck en godsvruchtelyk moght ten einde
brengen...................Deze wens werd niet vervuld.
Tijdens
de derde Engelse Oorlog (1672/74) verzocht de admiraal in 1673 dat hem
een in Leer en Leeven bequaam Predikant zou worden toegevoegd
tot stichting van zyn zeevolk. Naar aanleiding van dit verzoek
werd hij gemachtigd zelf iemand uit te kiezen. Enkele door hem
aangezochte dominees schrokken terug voor zulk een gevaarlijke dienst
en hij stond op het punt om zonder vlootgeestelijke uit te varen toen
zich eigener beweging een kandidaat aandiende, nl. Ds Theodorus
Westhovius, Predikant te Hekelingen op Voorne. Hij oordeelde dat
het onbetaamyck en jammer dat die groote Zeeheldt, met een schip 't
welk ontrent vyf honderdt zielen zou voeren, zonder Predikant zou zee
kiezen. Hier door geroert en bewoogen, besloot hy zyn dienst den heere
de Ruiter aan te bieden, en hem op dien toght voor Leeraar te dienen,
hebbende geen beletzelen van vrouw of kinderen die hem weerhielden.
Zyn aanbieding werd dankelyk aangenoomen. Dit leidde tot een
vriendschap tussen de admiraal en zijn vlootpredikant, die op het
sterfbed bijzondere betekenis kreeg.
Na zijn verslag van de beide Slagen
op het Schooneveld in 1673, het jaar waarin de admiraal het toppunt
van zijn roem bereikte, vermeldt Brandt - als het ware in een terzijde
- de getuigenis van een niet nader genoemd persoon, die verklaarde dat
hij de admiraal zelf het volgende had horen vertellen:
Zullende op zeekeren tydt, die
niet gemeldt wordt, zich in een der grootste zeeslagen met 'sLandts
vloot tegens de vyanden inlaaten, bevondt hy zich voor het aangaan van
den slagh, buiten gewoonte kleenmoedig, met veel bekommeringen
bestreeden, en t'eenemaal onbequaam om naar gewoonte de vereischte
ordres te geeven, 't gevecht naar behooren te beleiden, en rustigh op
de vyanden los te gaan. In deeze verlegentheit was hy ten einde van
alle raadt, niet weetende werwaarts zich te keeren of te wenden. Hy
verwarde in veel gedachten, en zoekende vergeefs raadt en hulpe by
zich zelven, viel hem eindelyck in dat hy 't hooger moest zoeken. Hy
begaf zich derhalven in zyn kajuit in eenzaamheit, viel Godt met een
kort maar vuurig gebedt te voet
biddende dat Hy hem te dier uure niet
zou verlaaten, maar bystaan met zyn geest, met de geest der waerheit
en kloekhertigheit, ten goededes vaderlandts. Op dit bidden streek
alle zwaarigheit van zyn hert, zyn gewoonlyke blygeestigheit en
rustigheit quam weer boven. Hy gaf ordre met bedaarde gemoede, 't
gevecht werdt met dapperheit begonnen, gelukkigh uitgevoert, en hy
zeide daarna, dat hy naa 't bidden als een ander man was opgestaan, en
zoo wel in 't betrachten van zyn plicht, als in den uitslagh van de
zaak gevoelt hadt dat Godt hem bystondt
Na de Zeeslag bij Kijkduin, op 21
augustus 1673, waarin tot zijn groot verdriet zijn stiefzoon Jan van
Gelder (1647/73)in 't
vaders hert den bloet-soon nu gelijck, was gesneuveld, zei de
admiraal: Monden ten tongen ontbreeken ons om Godts goedheit aan
ons betoont, naar waarde te melden en te verkondigen. Later aan
tafel verklaarde hij nog:
De zeege is groot, mochten wy slechts het geluk hebben van recht
dankbaar te zyn.
Laatste tocht; sterfbed.
In 1674 werd de Derde Engelse
Oorlog (1672/74 met de Vrede van Westminster beëindigd, maar het
conflict met Frankrijk duurde voort. Ook Spanje was met dat land in
oorlog . Frankrijk trachtte o.a. Sicilië, dat een Spaanse kolonie was
- te veroveren. De Spaanse koning riep de hulp in van Nederland, om
hen bij te staan tegen de Franse vloot. Spanje vroeg met name om die
hulp o.l.v. admiraal de Ruyter te plaatsen. In 1675 zond Nederland een
vloot onder commando van de Ruyter, naar de Middenlandse Zee om aan
dat Spaanse verzoek gevolg te geven. Deze vloot was echter ernstig
verzwakt, slecht geoefend, en te zwak bewapend. Toen de Ruyter de
Heren Staten daarop aansprak vroeg één van de statenleden om "de
heere de Ruiter op zijn oude dag misschien de moed in zijn schoenen
gezonken was" Een zeer beledigende opmerking tegen een man
die pas 3 jaar daarvoor door zijn genie de republiek van absolute
ondergang behoed had.
De Ruyter antwoordde met de waardige woorden, die ook nu nog aan de
adelborsten van het Kon. Inst. voor de Marine, K.I.M. te Den Helder
worden voor gehouden door een schild dat in hun recreatieruimte
"'t Zaaltje" is opgehangen, en dat beter dan welke
taakomschrijving dan ook aangeeft wat van een Nederlandse
Marine-officier wordt verwacht.
 |
|
Toen onze vloot, die
onder bevel van admiraal de Ruyter zelf stond, zich in de baai van
Milazzo bevond ontving Ds Westhovius brieven waarin hulp werd
ingeroepen namens een groep Hongaarse predikanten.
De vlootpredikant lichtte zijn
admiraal in, die onmiddellijk voor zijn geloofsgenoten in de bres
sprong. Korte tijd later kreeg hij daar van de Staten-Generaal ook
opdracht toe.
(Zie
<Hongaarse Predikanten> 1676.)
 |
De Gereformeerde Kerken
in Hongarije herdenken de Ruyter nog jaarlijks op 22 februari en
koesteren de sleutel van de crypt van de admiraal in de Nieuwe
Kerk te Amsterdam, die hen in 2001 door de Stichting werd
geschonken als symbool van de verbondenheid die het Hongaarse
volk met de Ruyter voelt. |
Ook
in Nederland wordt de Ruyter door de Hongaarse gemeenschap herdacht,
o.a. door het leggen van kransen bij zijn praalgraf door de Hongaarse
Minister-President, op 22 mei 2001 en bijna jaarlijks door de
Hongaarse ambassadeur die een krans of een bundeltje Poestagras met
een lint in de Hongaarse kleuren op de kist in de crypt legt.
Toen de admiraal op 22 april 1667
tijdens de Slag bij de Etna door een kanonskogel werd getroffen, die
het rechterbeen even
boven de enkel vermorzelde en het voorste deel van zijn linker voet wegnam, en hem bovendien een dek omlaag deed
vallen, zag het er aanvankelijk naar uit dat de kans op genezing wel
degelijk aanwezig was, maar op de 26ste trad de gevreesde wondkoorts
in, die hem sloopte en op de 29ste deed sterven.
Tijdens zijn ziek- en sterfbed bleef
hij de eerste dagen nog actief in de weer met de vlootbesognes maar
allengs richtten zijn gedachten zich meer en meer op de eeuwigheid.
Zijn uitlatingen werden geboekstaafd door de secretaris en Ds
Westhovius, in dit opzicht de bronnen waaruit de biograaf putte. Tot
het laatst bleef hij vroom en sterk Geen klacht kwam hem over de
lippen. Hij bad veelvuldig en de predikant was hem tot grote steun.
Brandt citeert enkele van die gebeden. Nog tijdens het gevecht:
Heere, bewaar 's Lands vloot,
spaar genadighlyck onze officieren, matroozen en soldaaten, die voor
een kleen geldt zoveel ongemaks en gevaars uitstaan. Geef hun
kloekmoedigheit en kracht; op dat wy onder Uwen zeegen d'overwinning
moogen weghdraagen. Heere, geef nu een gewenschte uytslagh in myne
zwakheit, gelyk gy Uwen volke gaaft toen ik sterk was: op dat het
blyke dat wy alles door U doen, en dat gy 't alleen doet, zoowel door
zwakken als kloeken, zoowel door weinigen als door veelen.
Later, toen hij veel pijn leed,
onder meer: Heere Jesus, gy hebt gezeit dat wy onze zielen met
lydtzaamheit moeten bezitten. Geef my Heere 't geen gy gebiedt: geef
my de lydtzaamheit tot een sterkte myner ziele, op dat ik magh
volstandig blyven tot den einde toe: nadien de lydtzaamheit toch meer
overwindt dan de kracht
Uit Brandt's kort
levensbericht.
Na zijn verslag van het overlijden
van de admiraal en wat daarop volgde, geeft zijn biograaf een kort
verhaal van de Ruyters opkomst, 'zeeden en deughden', waarin hij
ook veel aandacht schenkt aan de godsdienst. Waaruit nog enkele
citaten.
In een betoog over de bescheidenheid
van de admiraal, die zich ongaarne loftuitingen liet welgevallen geeft
Brandt als verklaring daarvoor diens opvatting dat 'Godt hem dan zou
verlaaten, als hy die lof aan zich zou laaten leunen'. Verder wordt
vermeld dat hij bepaalde delen uit zijn eigen aantekeningen
verbrandde, als reden daarvoor opgevende:
'dat hy niet, en Godt alles hadt gedaan'.
Ook weigerde hij vragen om
bijzonderheden over zijn belevenissen te beantwoorden van zijn
schoonzoon, de predikant Somer, van wie hij veronderstelde dat die
deze publicaties in de zin had. Brandt laat hierop volgen:
'Hy erkende op een
aanmerkingswaardige wyze aller mensschen en zyn eigen krachteloosheit
en nietigheit, en de noodtzakelykheit van Godts genade en hulpe in
’t byzonder, en zyne voor- mede- en uitwerking in ’t gemeen. Dit
gevoelen braght hy in zyn bediening (byzonderlyk in groote voorvallen,
hoedaanig de zeeslaagen zyn) zoodaanig te pas, dat hy voor ’t
aangaan der zeegevechten met vierige gebeden de goddelyke bijstand
zoght te verwerven: als weetende dat hy zonder Godt niet vermoght.
Voorts in dat gevoelen op Godt betrouwende, kon hy in de felste
gevechten zyne zaaken met bedaarden gemoede verrichten, en uitvoeren'.
Na een beschouwing over zeemanschap,
moed, beleid, zorgvuldigheid en personeelszorg vervolgt Brandt:
'Ook diende hem ’t geluk in
meest al zyn aanslaagen en stryden, weinige uitgezonderdt: en als ’t
hem gelukte, gaf hy Godt, gelyk boven is gemeld, alleen de eere,
zeggende dat men geen zeege kan bevechten zonder goddelyke hulpe. Zyn
ongeveinsde godtvruchtigheit vertoonde zich in al zyn bedryf. Geen
Christen heldt kon Godt meer vreezen, eeren, liefhebben, betrouwen en
den godsdienst met meer yver behartigen........ De meenighvuldige
verdeelingen en scheuringen der Christenen werden by hem verfoeid, en
hy wenste om de vreede der kerken. Hy hoorde zeer ongaarne dat men
eenige verschillende Christenen, jaa zelfs dat men alle alle mensschen
die buiten het christendom waaren geheel en al veroordeelde: Maar
wilde ’t oordeel liever opschorten, ziende dat geen grondt van hoope,
om dat buiten Christus geen zaligheit is, ook geen zaligheit buiten
Christis vast stellende maar nochtans erkennende een ondoorgrondelyke
diepte, beide van oordeel en van bermhertigheit, liet hy de zaak Gode
bevoolen. ’T Was hem ook zeer tegens de borst, als men iemant die
dwaalde en zyn Religie bespotte. Hy toonde ook in alle gelegentheit
een vyant te zyn van alle profaniteit, of verachting van heilige
zaaken, en van elle redeneeringen van ongebondene schrandre geesten
tegens Godt, godsdienst of goede zeeden. Hebbende een onuitspreekelyke
afkeer van zoodaanige luyden, van wat staat of gelegentheit die ook
moghten zyn. Den dienst en de dienaaren des Goddelyken woordts was hy
zeer geneegen, besteedende gelyk gemeldt is, twee van zyne dochters
aan Predikanten, en niet konnende lyden dat men hen kleen achtte, of
quaalyk bejeegende. Doch hem mishaaghde ten hoogsten, als ze zich met
andre zaaken dan van hun ampt bemoeiden, of eenige onbescheidene
vrymoedigheit gebruikten. Ook meinde hy dat de kerkelyke heerschappy,
en opperhoofdigheit onder de kerkelyken, onder wat tytel die moght zyn,
voor kerken van Nederlandt schaadelyk en verderffelyk was'.
Besluit.
Voor de hedendaagse lezer in onze
geseculariseerde samenleving, doet de sterke nadruk, die in de
levensbeschrijving op de religieuze beleving van de admiraal wordt
gelegd misschien wat onwennig en geforceerd aan. Men zou geneigd zijn
de biograaf van overdrijving te betichten. Men dient echter wel te
bedenken dat de godsdienst destijds voor het overgrote deel der
Nederlanders van zeer grote betekenis was. Zeer velen werden erdoor geïnspireerd,
niet alleen degenen omtrent wier doen en laten wij beter op de hoogte
zijn dan van de doorsnee burger en die tot grote prestaties kwamen,
zoals Rembrandt, Vondel en talrijke beroemde tijdgenoten, maar ook de
gewone mannen en vrouwen. Vrijwel iedereen was ervan overtuigd dat God
in het persoonlijk leven en in het wel en wee van de samenleving een
directe sturende rol speelde. Hoewel in de Republiek Kerk en Staat
gescheiden waren oefenden zij grote invloed op elkaar uit. De
Staten-Generaal schreven naar aanleiding van gebeurtenissen of zorgen
van algemeen belang regelmatig bede- en dankdagen uit. De dienaren van
het Woord, die in hoog aanzien stonden, waren gewoon regering en volk
geregeld op hun christelijke plichten te wijzen. Ofschoon de kracht
van het geloof natuurlijk ook toen niet bij allen even sterk was moet
men beseffen, dat de vroomheid en het godsvertrouwen, waarvan admiraal
de Ruyter zo duidelijk blijk gaf, in zijn tijd minder uitzonderlijk
waren dan men, door hedendaagse opvattingen beïnvloed, zou kunnen
aannemen. Het religieuze besef van de admiraal komt niet alleen naar
voren in hetgeen Brandt ons daaromtrent mededeelt, maar het blijkt ook
duidelijk uit zijn eigen brieven, rapporten en andere getuigenissen,
uit zijn levenswandel in het algemeen en uit verklaringen van zijn
tijdgenoten in binnen- en buitenland.
Naar
Pagina <Diversen>.
|